writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Junkies, treinen en andere rottigheid (33)

door jack

Een onbestemd gevoel van verlorenheid sloop in mijn lichaam en wroette mijn ingewanden ongemakkelijk door elkaar. Ik ervoer waarlijk spijt dat mijn enige bondgenoot in deze omgeving weg was. Bussen bleven aan- en afrijden, zoals altijd ging het leven ongenadig door. Het onophoudelijke wriemelen der werkmieren waaraan ik zo graag placht te ontsnappen in en door Junkies gezelschap. Op momenten als dit, durfde ik me wel eens te laten overmannen door een vlaag van wanhoop om het ondraaglijke gewicht van een toekomst zonder toevluchtsoord, zonder beschermlaag. Een geamputeerde toekomst met nimmer aflatende fantoompijn. Het leek alsof ik een arm en een been kwijt was, zo onvolkomen was mijn bestaan geworden. Stelt u zich maar eens voor welk een eindeloos vermoeiend hindernissenparcours elke dag vormt, wanneer zelfs de eenvoudigste routineuze handelingen nog maar met enorme inspanning en vindingrijkheid kunnen worden volbracht, omdat bepaalde vanzelfsprekendheden er plots niet langer zijn. Tracht u zich bijvoorbeeld maar eens aan te kleden met één arm: geen lachertje.
Net zo begon ik, al moedeloos voor het opstaan, aan elke dag, moest ik bij elke daad en elke gebeurtenis vaststellen dat de kracht me ontbrak om tot actie over te gaan. Het trachten te overleven kostte al mijn energie. De eerste maanden na Junkies overlijden deed ik niet veel meer dan slapen of in volstrekte duisternis wakker liggen, trachtend de geluiden van buiten niet te horen. Op mijn provisoire nachtkastje stond, als een baken, een fles whisky. Maar zelfs drinken kon ik niet, het leek wel heiligschennis, zo zonder hem. Mijn maag keerde zich om bij de gedachte alleen al, van het knipogend whiskyzuipen zonder iemand naast me om erom te lachen. Toch was het geruststellend dat die fles er stond, voor het geval dat. Wanneer ik een kaars aanstak, wierp ze een vriendelijke amberen gloed in de kamer. Wie beweert dat voorwerpen geen ziel hebben, is een lomperik. Die fles was zowat mijn enige gezelschap in die periode. Soms leek het wel alsof ze waakte bij mijn sterfbed. Ijdele hoop, achteraf bekeken, want mijn lichaamsfuncties weigerden hun werking te staken, ondanks het feit dat ik hen niet de minste reden of prikkel bood om door te gaan.

Wekenlang heb ik in het ijle gezweefd, zonder licht, zonder geluid en zonder beweging, uitgezonderd de momenten dat Junkies broer Dirk mijn kamer binnentrad met meer dan eens de huisdokter in het kielzog. Die dokter was best een aardige man, dat wel, en oprecht bezorgd bovendien, maar hij was van het type dat dacht alles op te kunnen lossen door eindeloos te praten en dat was wel het laatste dat ik wou. Zo gauw hij in de gaten kreeg dat zijn strategie geen vruchten af zou werpen, vond hij het nodig het woord "opname" in de mond te nemen. Nu moet u weten dat die term, in de kringen waarin ik verkeerde, het effect had van een electrische schok van pijnlijk hoog voltage. Zodoende kwam Dirk vanaf die dag alleen. Zo'n opname zou de zaken louter verergeren, want zonder mij zou hij zelf geen reden meer hebben om overeind te blijven, de lieverd. En ik zou zijn bezoekjes moeten inruilen voor gedwongen gesprekken met een therapeut, of nog erger: een psychiater, en de onontkoombare nabijheid van andere "patiënten", waar ik zeker niet evenwichtiger van zou worden. Het werd verteld dat gevallen als ik moesten slapen in lange slaapzalen met angstaanjagende witte muren en netwerken van bruingeworden barsten in het plafond, om de boel overzichtelijk te houden. Geen ontsnappen mogelijk dus, niet aan het toeziend oog van het verplegend personeel, noch aan de nachtelijke schreeuwen en klaagzangen van zaalgenoten. Dat alles, bovenop mijn reeds penibele geestestoestand, zou weleens onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor de al niet optimale chemische huishouding in mijn brein.
Dus verzekerde Dirk de dokter er op nerveuze wijze van, dat hij mijn toestand nauwlettend en met de grootste zorg in de gaten zou houden en de dokter van zijn kant, beperkte zich ertoe me te voorzien van een voorraad kalmeerpillen, die mijn redding zijn geweest, hoewel de verleiding met momenten groot was om ze allemaal tegelijk naar binnen te werken samen met de inhoud van mijn whiskyfles. Doch ook hierop was Dirkje voorzien want hij hield de pillen bij zich als waren ze zijn jongen die beschermd moesten worden tegen de vele verschrikkelijke gevaren die de jungle rijk is.
Ik zou het hem overigens niet hebben kunnen aandoen. Hij was mijn enige menselijke bondgenoot.
Onze vrienden van toen zaten elk opgesloten in hun eigen roes of de jacht erop. Daarenboven schermden ze zich angstvalling af voor negatieve berichten als dit omdat ze hen weleens aan het denken zouden kunnen zetten, en dat was nu eenmaal niet wenselijk. Zelf had ik trouwens ook geen behoefte om me nog in onze oude vriendenkring onder te dompelen, want de zeldzame keren dat ik hen nog zag, voelde ik me des te eenzamer zonder mijn kompaan. Hij schitterde in afwezigheid. In die mate zelfs, dat ik er naarmate de tijd vorderde van begon te genieten om alleen te zijn met de leegte die hij achterliet. Dan zat ik urenlang in mijn kamer en leek het alsof hij er was, want die leegte, dat was hij. Nochtans was het in vele andere gevallen, veelal wanneer ik me in de buitenwereld begaf, net heel pijnlijk duidelijk dat hij er niet was.

Dat was mogelijk de reden waarom ik bijvoorbeeld enerzijds zo vaak naar het stadje O. reisde, maar anderzijds zijn eigen stad, Sint-Niklaas, had gemeden. Waarin precies het verschil zit, blijft gissen. Waarschijnlijk kwam Sint-Niklaas iets te dichtbij. Het was immers die stad die hem in zijn groei had belemmerd en misvormd, en waar hij uiteindelijk het leven had gelaten. Het was de stad waar we onze laatste woorden tot elkaar zegden en waar ik hem weerzag in al zijn gave, ontzielde glorie. En waar ik hem had meegenomen, die vroege ochtend, toen ik het stedelijk ziekenhuis uitwandelde. Zijn ziel, die doelloos rond zijn lichaam zweefde, had er zich aan het mijne gehecht, opgelucht als een verdwaalde kleuter op de overbevolkte zeedijk die na eindeloos wachten bij de redder van dienst wordt opgehaald door een al even opgeluchte opa, nog naschokkend van het huilen en de wangen nog betraand.

En eens bekomen van de schok, was hij in mijn hoofd uitgelaten beginnen tateren net als bij leven. Meer zelfs, het leek wel alsof hij iets in te halen had. De klassieke tegenreactie. Spijtig genoeg was dit alles me die eerste maanden niet bepaald duidelijk, ondanks het feit dat ik zijn aanwezigheid duidelijk aanvoelde. Ik nam het voor een goocheltruuk van mijn hersenen, om het bestaan enigszins draaglijk te maken. Want mijn geest was een kloppende open wonde, die wel eens zwaar geïnfecteerd zou kunnen raken, en ik leefde in een roes van pijn. Dus trachtte ik zo weinig mogelijk te leven en te voelen. Vandaar het onstilbare verlangen naar duister, stilte en verdovende middelen, geloof ik.
Toch wilde ik, tegelijkertijd, niets vergeten en niets verdringen. Ik schommelde heen en weer tussen een comateus niets-willen en een maniakaal piekeren over onze laatste dagen en de nacht dat hij stierf. Honderden keren speelde ik alles opnieuw af in mijn hoofd. Erg stereotiep allemaal, maar het was sterker dan mezelf. En ergens tussen die beide uitersten was er steeds opnieuw de verbazing en het ongeloof. Ongeloof dat ik hem nooit meer zou zien of voelen. Dat warme, altijd welwillende lijf voor altijd weg. En dan bedoel ik lijf in de ruimste zin, welteverstaan. In de eerste plaats zijn lach en zijn gepraat. Doch ik moet eerlijkheidshalve toegeven dat hij een lichaam bezat waar ik me, gezien de esthetische kwaliteiten ervan, maar al te graag aan vergreep. Hij was aan de grote kant en misschien iets te mager maar zijn huid was ontroerend zuiver en blank. Zijn blik getuigde van een al te scherpzinnig doorzicht dat nog meer werd onderstreept door zijn zowat constante cynische grijns. Normaalgezien word ik ongemakkelijk van zo'n blik, ware het niet dat er evenzoveel warmte uit bleek. Een nerveuze over-alertheid in contrast met pretlichtjes. Hij had opvallend lange vingers, waardoor zijn handen op vlerken leken. En ze beefden bijna altijd lichtjes. Ook dat zou ik nooit meer aanschouwen. Van dat soort details werd ik buitengewoon ellendig. Ze leken onoverkomelijke obstakels in mijn verderleven en zijn dat onverminderd gebleven. Zoals men in de volksmond zegt: "Het zijn de kleine dingen die tellen". Dat ondervond ik aan den lijve en des te meer nu ik ze kwijt was. Het topje van zijn piemel dat aan roze kauwgom deed denken en hoe zijn billen soms rilden. Hoe hij achteraf als een tevreden spinnende kat kon liggen grijnzen. Het ritselgeluid van dun papier bij het rollen van een postcoïtale sigaret en het luchtzuigen eraan, waarbij hij zijn ogen tot spleetjes kneep. Het knetteren van de inhoud van die sigaret en de damp ervan die zich om zijn hoofd krulde en zich boven het bed verspreidde. Hij had iets van een tovenaar, gezeten in kleermakerszit met het laken om zijn onderlijf gedrapeerd. Zijn getater als eindeloze bezweringen die door het vertrek gonsden.

 

feedback van andere lezers

  • Mephistopheles
    Een dierbare verliezen is inderdaad pijnlijk. Een goede vriend van me is gestorven van zijn alcoholverslaving. Lag al drie weken te rotten in zijn eigen braaksel vooraleer het lichaam gevonden werd.
    Levendig geschreven stuk, en dat is een goede remedie tegen pijn, hoewel erover schrijven op zich natuurlijk ook niet pijnloos is.

    Een piemeltopje dat aan roze kauwgom doet denken??




    jack: Eikel vond ik niet klinken, dus topje. Wat ook niet helemaal goed is, maar het moet volstaan voorlopig.
    De enige remedie tegen pijn is veel alcohol. Chartreuse, absint, allemaal goed. Nog beter is whisky uiteraard. Of vodka als je ook nog een drang tot zelfpijninging hebt ;-) Ik krijg er verdomme dorst van! Enneuh veel succes met je weekend he...
  • KapiteinSeBBos
    het is weer een gezellig stukje geworden!

    nogmaals dank voor gisteren!

    dikke knuffel,
    xxx
    jack: Amaai, jij hebt een raar idee van gezellig!
    Gisteren, dat was wel gezellig ;-)
    raar toeval he! Maar leuk je eens ontmoet te hebben!
  • tessy
    weer een knap stuk, graag gelezen
    jack: Dankjewel!
  • jan
    het moet een opgave geweest zijn om dit te schrijven Jack,
    maar het is een meesterlijk stuk!

    grtzz
    jack: Het valt nogal mee, het gaat makkelijker dan ik dacht. Alleen zit ik constant af te wegen of het nu allemaal niet te pathetisch klinkt want, ook al heeft dat ook zijn charme, dat is toch niet echt de bedoeling... :-)
    Dankjewel!
  • Mistaker
    Niks pathetisch, gewoon erg goed - zeg dat Greta het gezegd heeft ;-)

    Groet,
    Greta
    jack: Hahaha, geweldig.
    Dat wordt mijn nieuwe mantra :-D
    Erg bedankt, Greta!
  • henny
    Een heftig deeltje.
    Alleen al de beschrijving van die kamer in dat ziekenhuis. Je zou van minder al depri worden.
    jack: Danku!
  • Ghislaine
    De deprimerende toestand bijzonder goed onder woorden gebracht.
    jack: Dankjewel Ghislaine!
  • koyaanisqatsi
    Wat een (hoogstaand) literair rouwproces toch...

    Piemeltopje... Het klinkt al veel origineler dan voor de zoveelste "lul" of "pik" te moeten lezen. :-P
    jack: Mja, topje is ook maar topje he, ik ben er niet geheel tevreden over. Het mocht wat meer lul-gehalte hebben zonder even ordinair te klinken...
    Literair? Dat vind ik een mooi compliment want dat is eerlijk gezegd toch wel een beetje de bedoeling!
  • manono
    topje-kauwgom is origineel en beeldend!

    Helemaal niet pathetisch. Ik vind het prachtig!
    jack: Dat stelt me gerust :-)
Er zijn 3 bezoekers online, waarvan 1 lid: Clodius.