writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

ZAND (27 De Zoon van de Schoenlapper)

door koyaanisqatsi

"Wa' aleikum salaam," beantwoordde een breedgeschouderde man mijn groet. "Ik ben Ibn Ibrahim; we verwachtten u."
Volkomen volgens de regels der gastvrijheid van de woestijnvolken werd ik zonder de minste aarzeling meteen uitgenodigd voor het avondmaal. De eenvoud van het eten stond in schril contrast met het decadente karakter van de Internationale Diner maar alleen al het nuttigen van de maaltijd met de handen was voldoende om me, na het korte verblijf in de voor mij zo bevreemdende wereld, opnieuw thuis te voelen.
Het tentenkamp was veel minder omvangrijk dan hetgeen waar ik was opgevangen en algauw werd me duidelijk waarom. Ik was terechtgekomen in een kleine karavaan van handelsreizigers die plekken aandeden waar zo goed als geen gemotoriseerd transport passeerde. Met andere woorden: deze handelslieden dreven handel met mensen uit de verste uithoeken van de woestijn.
Na het eten keuvelden de mannen nog wat na, tot ze zich verzamelden voor het isha-gebed. Daarna werden de meeste lantaarns gedoofd, bleven twee mannen op om de wacht te houden en trok de rest zich terug in de tenten.
Ik kreeg een plek toegewezen naast een oude man die zijn rotte tanden zo aandoenlijk bloot lachte dat ik tegelijkertijd medelijden en diepe binnenpret kreeg. Toen hij zich had voorgesteld als Abdul had dit door de slechte staat van zijn gebit als Abzul geklonken waardoor ik hem nadien in gedachten zo bleef noemen.
Abzul, of Abdul, vertelde me in het donker over zijn jonge leven.
"Ik ben niet altijd een woestijnmens geweest," zei hij, "nee, dat ben ik pas geworden na een dramatische gebeurtenis. Je moet weten, jonge Ismael, dat ik de zoon ben van een arme schoenlapper. Hoewel we het thuis dus alles behalve breed hadden, deed mijn vader er alles aan omdat ik en mijn drie broers naar school zouden kunnen gaan. Mijn moeder slaagde er in wat financieel bij te dragen door her en der in te springen voor zieke huishoudsters of te helpen met het voorbereiden van feesten bij de rijken. Op n van die feesten waren evenwel zoveel handen te kort dat zelfs de hulp van mij en mijn drie broers werd ingeroepen. Dat er op ons beroep werd gedaan hadden we ontegensprekelijk te danken aan de onberispelijke reputatie van mijn moeder, die niet alleen bekend stond als uitstekend organisator en prima kokkin, maar ook als honderd procent betrouwbaar.
Samen met mijn broers moest ik instaan voor het afruimen en schoonhouden van de feestelijke tent die speciaal voor het huwelijk van een ministersdochter was opgetrokken op het grootste plein van de stad.
Wat ik daar zag tartte alle verbeelding. De pracht en praal, de overvloed aan drank en eten, het was zo overweldigend dat ik me op een andere planeet waande. Het duurde even voor ik mij van deze cultuurschok had hersteld en in feite zinderde hij nog na toen ik, tijdens het afruimen van een tafel, per ongeluk een oogverblindend meisje aanstootte. En blik in haar stralende gazellenogen was voldoende om mij de adem te benemen.
'Gaat het met je?' vroeg ze vriendelijk, terwijl ze haar prachtige hoofddoek van roze zijde herschikte.
Ik kon slechts onnozel knikken terwijl mijn hoofd begon te gloeien, en dat werd nog erger toen ze me maar bleef aankijken met die oogverblindende blik van haar.
'Stop, stop daarmee,' piepte ik uiteindelijk, in paniek.
'Met wat?' vroeg ze, gekmakend glimlachend.
"Met Met me zo aan te kijken"
'Da's jouw schuld,' giechelde ze, 'je moest maar niet zo'n mooie, lieve jongen zijn.'
Ismael, mijn jongen," zuchtte Abzul zwaar, "ik kan je onmogelijk beschrijven hoe ik me toen voelde. Het enige wat ik weet, is dat het leek alsof mijn voeten van de aarde werden getild terwijl ik een levensvorm aannam, gevuld met een gelukzaligheid zo grenzeloos als het heelal.
'Vind je het hier ook niet saai?' vroeg het meisje.
Ik stamelde: 'Ik moet werken. Ik heb'
'Kom,' onderbrak het meisje me, 'laten we naar buiten glippen.'
'Nee!' schrok ik -al had ik daar meteen spijt van-, 'dat kan niet. Ik moet werken en stel dat ze ons zien.'
Maar het meisje gaf zich niet gewonnen.
'Volk genoeg hier om het netjes te houden', zei ze op een samenzweerderig, hees toontje, 'en iedereen is toch te druk bezig met zichzelf om iets te merken dat niet door de beugel kan.'
Betoverd liet ik me meelokken. Het bleek inderdaad kinderspel om er ongemerkt van tussen te knijpen. We liepen de nog vrije ruimte van het plein over en toen we verdwenen tussen voorbijgangers en nieuwsgierigen die een blik van het feest wilden opvangen, pakte het meisje me bij de hand. Een hemelse siddering schoot door mijn jonge lichaam en alleen God weet hoe ik er op dat ogenblik in slaagde zowel de daver op het lijf te weerstaan als het bewustzijn te bewaren.
Het meisje liep een beetje voor me uit waardoor ik in de schemering van de straatverlichting de schoonheid van haar vormen ontwaarde die zich zuinig doorheen haar prachtig geborduurde djellaba vrijgaven. Aan de rand van het plein trok ze me tussen een aanplanting van heesters en hibiscusplanten en zette ze zich, tot mijn alsmaar toenemende verbazing, neer. 'Kom, kom bij me zitten,' zei ze, met haar met henna beschilderde hand op de grond slaand.
Ik aarzelde, wist dat ik me de meest ondenkbare problemen op de hals kon halen maar was me er tegelijkertijd net zo zeer van bewust dat er aan deze betovering niet te ontsnappen viel.
Als gehypnotiseerd door een fakir liet ik me naast haar op de grond zakken. Toen mij knie even de hare aanraakte ging er een zodanige schok door me heen dat ik de Almachtige dankte voor de fez die de norse ceremoniemeester als een onvermijdelijke verplichting op mijn hoofd had gedrukt; zoniet zou het meisje gemerkt hebben dat mijn hoofdharen van opwinding rechtop waren gaan staan.
'Kan ik iets voor je doen, mijn droomprins?' vroeg het meisje geamuseerd.
Zonder nadenkend flapte ik eruit: "Mag ik je haren zien?"
Het meisje giechelde even, trok met de nodige omzichtigheid haar hoofddoek tot op haar schouders en schudde haar haren los.
'Allah akbar,' stamelde ik, waarna mijn mond openviel.
Zijdezachte, gitzwarte lokken legden zich als een nimbus om haar hoofd; een nimbus die helaas geen stralend licht maar een helse duisternis zou brengen. Want in tegenstelling tot onze veronderstelling waren we helemaal niet ongemerkt weggeglipt. Nee, de oudere broer van het meisje had onze ontsnapping in de gaten gekregen en was ons, in het gezelschap van enkele familieleden, achterna gekomen.
De gevolgen waren verschrikkelijk. Om te beginnen kreeg ik een ferm pak slag, maar dat was nog het minste. Mijn volkomen onschuldige broers werden als dieven weggejaagd en mijn moeder kreeg te horen nergens meer welkom zijn. De schande die mijn familie overviel was zo verpletterend dat noch mijn broers, noch mijn ouders voldoende kracht over hadden om mij op hun beurt een welverdiend pak rammel te bezorgen. Het verhaal van mijn wangedrag ging als een lopend vuurtje door onze wijk met als resultaat dat mijn vaders inkomsten onder een dramatisch niveau zakten. Zonder het extra geld van moeder werd de situatie er alleen maar hopelozer op en werd het al vlug duidelijk dat we maar net genoeg inkomsten bijeen scharrelden om te overleven.
Schuldig als ik was aan deze toestand, wist ik met mezelf geen blijf en begon ik wanhopig op zoek te gaan naar een baantje. Maar aangezien ik ondertussen bekend stond als de schurk die de jongste dochter van de minister bijna had onteerd, kreeg ik overal waar ik mijn kop liet zien niets dan verwensingen en beledigingen naar het hoofd geslingerd.
Als bij toeval stuitte ik toen op Ibrahim, de vader van onze huidige karavaanleider. Hij zocht jonge mannen die het aandurfden hem door de woestijn te vergezellen, wat op dat ogenblik lang niet evident was daar er verschillende stammenoorlogen woedden.
Maar wat had ik te verliezen, behalve mijn waardeloos geworden leven? Na enig gediscussieer over mijn leeftijd, mocht ik bij Ibrahim in dienst komen. Van het geld dat ik verdiende bezorgde ik het grootste deel aan mijn familie, tot mijn ouders stierven en mijn broers er met enig geluk in geslaagd waren een eigen leven op te bouwen. Nu bezorg ik het geld aan de armen, omdat ik weet wat het betekent om armoede te leven en ik ondertussen al een heel leven gewend ben aan de zielenrust van een sobere levensstijl."
Er viel een korte stilte. Buiten klonk het gelach van een hyena, gevolgd door de roep van een mij onbekende nachtvogel.
"Ach, het leven" zuchtte Abzul toen, waarna hij in slaap viel en al zo goed als meteen begon te snurken.

 

feedback van andere lezers

  • Wee
    Wat een loeder, die meid!
    'De daver op het lijf weerstaan', vind ik een geweldige uitdrukking.
    (Toen mijN knie even de hare aanraakte.)
    Wondermooi stukje!
    x
    koyaanisqatsi: ;-)
  • Dora
    Ja, het is wat, de macht van ...
    koyaanisqatsi: ...de schoonheid?
  • mephistopheles
    Toffe meid. En hij laat zich natuurlijk vangen, 't kieken!
    koyaanisqatsi: Wat had ge gedacht? :-)
Er zijn 2 bezoekers online, waarvan 0 leden: .