writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Het Bestaan in al zijn Eenvoud (18)

door koyaanisqatsi

De burgemeester woonde midden op een kleine heuvel die een net zo uitstekend als deprimerend uitzicht op de sloppen had. Die sloppen lagen als een gigantische, kromme banaan van golfplaten, karton en leem tussen een heuvelkam en de voorstad geprangd en boden onderdak aan een nooit geteld aantal mensen, voor het merendeel inwijkelingen die tevergeefs in de stad naar fortuin kwamen zoeken, aangevuld met aan lagerwal geraakte stadsbewoners die zich niet langer een woning binnen de eigenlijke stadsgrenzen konden veroorloven.
Relatief gezien was het een veilige buurt, veelal omdat de graad van armoede er net zo hoog als gelijkmatig verdeeld was, waardoor er bij niemand iets te halen viel, en vermits slechts een handvol uitzonderingen over genoeg geld beschikte om aan roesmiddelen te geraken, waren behalve de dieven ook de dronken of verslaafde amokmakers er op één hand te tellen.
Toch was het er alles behalve peis en vree. Het aantal zelfdodingen was er onheilspellend hoog, de levensverwachting onrustwekkend laag. Prostitutie, overspel en veelwijverij waren alomtegenwoordige fenomenen, net zoals onverklaarbare verdwijningen en te vonde gelegde zuigelingen. Mensenhandel was er niet vreemd, het verkopen van organen en bloed alles behalve een uitzondering. Honger, en in mindere mate dorst, stonden bij de meerderheid van de inwoners op het dagelijkse menu, uitbraken van epidemieën waren steeds weerkerende bedreigingen.
De burgemeester beschikte over niet de minste autoriteit. Hij was jaren geleden verkozen door een lachwekkend beperkte groep inwoners, mensen die van mening waren dat de sloppen, al was het maar een kwestie van trots, over een eigen burgemeester moesten beschikken. Behalve de titel had de verkiezing had hem het huis op de heuvel opgeleverd, een eenvoudig gebouw in rode baksteen, met een beetje elektriciteit, eenvoudig sanitair en vier aparte kamers. Niet veel meer dan een bescheiden stulp, maar in vergelijking met de krochten waar het huis op uitkeek, een waar paleis.
Abel Bocoum trof de burgemeester aan voor zijn huis, op een stoel, starend naar het droeve panorama van 'zijn gemeente'. Het was zijn manier om de dagen door te brengen, tenminste wanneer het mooi weer was en er geen smog boven de stad hing. Op andere dagen kuierde hij door de stad of vergezelde hij zelfbenoemde functionarissen tijdens het kwijten van hun taak.
'Abel Bocoum,' reageerde de burgemeester verrast, 'wat vreemd u hier te zien.'
Abel Bocoum maakte een lichte buiging en zei: 'Neem me niet kwalijk dat ik u hier lastig val, burgemeester, maar ik kom in verband met mijn woonst. Of beter, met de beslissing van de Minister van Huisvesting in verband daarmee.'
De burgemeester begon meteen te hoofdknikken, alsof hij niet verrast was Bocoum om deze reden te zien, en antwoordde: 'Daar kan ik best inkomen. Tussen ons gezegd en gezwegen: ik vond de beslissing van de Minister ronduit grof. Op zijn minst getuigde ze van vooringenomenheid. Ik ben er zeker van indien u tot zijn relaties had behoord, hij u niet eens een reprimande zou hebben gegeven. Maar wat kon ik doen? Hij was vergezeld van een gelegenheidsagent, en voor zo'n persoon kan je maar beter op je tellen passen. Ik had gehoopt de Minister na het bezoek aan uw adres, onderweg naar huis, onder vier ogen te kunnen spreken, om hem te overhalen zijn beslissing op zijn minst een beetje af te zwakken, maar die gelegenheidsagent week geen seconde van zijn zij. Hij kleefde aan de Minister als was hij zijn schaduw, en dat bleef zo, ook nadat we hier beneden, aan de voet van de heuvelkam, afscheid van mekaar hadden genomen.'
De burgemeester schudde het hoofd, alsof hij zonder woorden wilde uitdrukken hoe hopeloos de zaak wel was, maar Abel Bocoum liet zich niet uit zijn lood slaan.
'Kan u mij de naam van de Minister geven?' vroeg hij zonder aarzelen.
Hierop fronste de burgemeester zijn wenkbrauwen.
'Bedoelt u dat…'
Bocoum knikte: 'Inderdaad, burgemeester. Ik heb mijn lot in de handen van de Regelaar gelegd.'
De burgemeester staarde opnieuw naar de sloppen. Hier en daar kringelde wat rookwolkjes omhoog, afkomstig van kleine houtskoolvuren waarop de gelukkigen van de dag wat eten klaarmaakten.
'Ik weet niet precies hoe de man heet,' zuchtte de burgemeester, 'maar ik kan u wel vertellen waar u hem kan vinden.'
'Daar kan ik mee verder,' zei Bocoum tevreden.
'Maar ik kan u niet garanderen dat hij zijn naam zomaar zal prijsgeven. Mogelijk zal u die via een ander te weten moeten komen. U moet namelijk weten dat hij één van die soort ministers is die zich al veel vijanden op de hals heeft gehaald.' Dat verbaast me niets, dacht Bocoum, maar dat hield hij voor zichzelf. 'En u moet me ook beloven niemand te vertellen hoe u zijn verblijfplaats te weten bent gekomen.'
'Dat spreekt vanzelf,' zei Bocoum, waarna de burgemeester, met weinig enthousiasme, begon uit te leggen waar hij heen en moest.

 

feedback van andere lezers

  • Wee
    Invoelend en zeer beeldend, hoe troosteloos je beschrijft ... Práchtig!
    (R.10: verslaafde?)
    x
    koyaanisqatsi: Xxx

    Foutje effe rechtzetten. ;-)
  • joplin
    wat een wereld!
    werkelijk benaderd
    xx
    koyaanisqatsi: xx
Er zijn 4 bezoekers online, waarvan 0 leden: .