writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Dag, Bron en...opgedeelde versie...

door katrijn

'Hé, Dag, waar ga je naar toe?' Matis, de zoon van Marcus, kijkt hem gloeiend aan. ' Loop je weg? Van datgene wat je zelf begon?'
'Matis, alsjeblieft. Dit is al lang niet meer mijn strijd, dit is die van jullie. Maak gerust af waar ik mee begon, als je wil. Ik gun jullie de overwinning. Maar ik kan die verantwoordelijkheid geen 2 maal aan.' Het wordt heel erg stil. Matis gaat verbouwereerd zitten maar knikt, een beetje teleurgesteld maar hij snapt het wel. Dag zucht diep. ' Sorry jongens. Ik heb iets af te handelen en dan ga ik naar huis.'
'Naar huis? Dit is je thuis, Dag. Ons volk. Wat is er met je gebeurd? Ben je een lafaard geworden,bang?' Naast Matis, helemaal op het hoekje van de eerste rij, komt er een kerel overeind. Hij houdt zijn wollen muts tussen zijn vuisten alsof hij het ding wil wurgen. Matis probeert zijn vriend, die duidelijk als woordvoerder van de jonge meute optreedt, het zwijgen op te leggen.
'Laat hem, Hij heeft…'
Maar de jongeman trekt zich strijdlustig los en kijkt Dag uitdagend aan. Hij is groter, oogt ouder en heel veel zelfzekerder. Dag kijkt hem met half toegeknepen ogen aan. De arrogantie staat op het gezicht. Hij schudt afkerig zijn hoofd en draait zich om. Dit moet hij niet pikken, niet van een puber.
'Hé, kleintje, ik vroeg je iets! Kom terug als je durft en…' De jongen staart hem grijnzend aan, duidelijk trots dat hij Dag durft vernederen voor al de ouderen die hem zowat verafgoden. IN zijn ogen is Dag een jongen, en dan nog een vreemdeling . Met een grote mond en veel te wijze woorden voor zo'n gastje. Hij begrijpt niet waarom mannen als Yannick en Matis één en al oor zijn als dat joch nog maar zijn mond opentrekt. De spanning stijgt.
Dag recht zijn rug.
'Waag het niet, snotneus, om mij een lafaard te noemen.' Hij staart kil naar de jongemannen en bereikt een kookpunt waar Bron hem normaalgezien terugfluit.
'Kalm aan, broertje, of je doet dingen waar je spijt van zult hebben.' Hij hoort de stem van Bron in zijn hoofd en doet hard zijn best. Ademen Dag, ademen. God, wat wil hij naar huis. Wat is het leven toch makkelijk als je afhankelijk bent van iemand als Bron; iemand die de wereld op afstand houdt.
'Ik heb iemand beloofd om een meisje te zoeken en veilig naar de mensenwereld te brengen en dat doe ik. Daarom ben ik hier. Niet om een opstand uit de grond te stampen, niet om jullie van Moran te verlossen. Ik heb mijn deel gedaan.'
'Een mens? Jij gaat naar Hoogstad voor een mens?' Er klinkt wat nerveus gelach op de eerste rij maar velen houden al hun mond als ze Dags gezicht zien. Dag keert op zijn stappen terug tot hij vlak voor de jongens staat. Hij knettert van energie, man, wat heeft hij een zin om die arrogantie van hun gezicht te slaan. Hij kan ze allemaal aan. Hij balt zijn vuisten en strekt zijn vingers terwijl hij scherp door zijn neus ademt. Ademen, Dag, ademen…je bent geen wilde, geen…
'Hij is een Woudmens…' angstig gefluister spreidt zich door de zaal en de jongens trekken bleek was. Dag sleept de spreker gewoon van de bank en smakt hem tegen de tafel van de Voorzitter. De oude man deinst geschrokken achteruit, maar blijft gefascineerd en op veilige afstand zitten. Het slachtoffer is lijkbleek
'Waar was jij,' Dag port de luidste roeper in zijn borst, en sist laag ' die dag toen ze me arresteerden? Waar waren jouw ouders toen ze me terechtstelden? Waar waren jullie verdomme toen Moran ieder bot in mijn lijf brak tot ik haar smeekte me te doden?!!! Waar zaten jullie, hé, vertel me dat eens?' De jongen kijkt hem met opengesperde ogen aan. Hij heeft zonet in zijn broek geplast, maar merkt het niet eens. Haastig schudt hij zijn hoofd.
'Ik weet het niet, heer, echt niet.' Piept hij hoog.
'Juist.' Dag grauwt. ' Jaren heb ik voor jullie gevochten en jullie dank was dat ik mijn beste vrienden levend zag villen tot ze krijsend stierven. Niemand van 'ons volk', zoals jij het mooi zegt, maakte plannen om ons ook maar te helpen, ook al was de hulp een verlossend schot geweest. Wie waagde zijn leven? Wie haalde me daar weg en houdt me al eeuwen uit het zicht van Moran? Wie heeft er weken nadien voor me gezorgd zonder ook maar ooit eens iets terug te vragen…nee, kereltje, dat was niet één van 'ons volk',' Dag is laaiend. ' Het was een mens. Een eerlijk en dapper mens. Waar denk je dat mijn trouw ligt? Hier? Vergeet het maar.'
'Het spijt me, echt waar. Ik wist het niet…' Hij jammert nu openlijk. Al de andere aanwezigen staren naar de grond. Beschaamd om met hun neus op de feiten gedrukt te worden. Dag had het hen al eeuwen kwalijk genomen, zich zwaar verraden gevoeld. Niemand heeft oog voor de zware poort die openschuift en de lange vreemdeling die even blijft staan om de situatie in zich op te nemen. Hij kruist zijn enkels over elkaar en kijkt geamuseerd toe. Dag grijpt het hemd van de jongen en zet hem zonder pardon weer op de bank, tussen zijn vrienden.
'Lieg niet, je wist het wel. Het staat in je schoolboek. Hoe waag je het om ook maar iets van me te vragen nadat…'
Hij ziet hem staan, leunend tegen de poort. Dag houdt prompt zijn mond. De harde trek op zijn gezicht, die hem voor enkele minuten een volwassen man maakte om te vrezen verdwijnt op slag. Met grote ogen kijkt Dag naar de man bij de poort. Hij lacht luidop en iedereen kijkt geschrokken op, de lach is zo'n vrolijk, oprecht geluid dat het misplaatst is na de spanning van daarnet. Ondanks het feit dat hij een lange mantel draagt en een kap die zijn gezicht verhuld, herkent Dag hem direct. Hij laat de jongen los,waarop die bang achteruit schuift maar Dag merkt het niet meer.
'God, waar bleef je zo lang?'
'Wel, God is een beetje over roepen, met Messias of weledele zou ik al heel tevreden zijn, broertje.'
Dag hoort de lach in de stem van zijn broer en stooft naar voor. Alle waardigheid die bij zijn reputatie hoort, gooit hij overboord als hij zich in de armen van zijn broer stort. Bron vangt hem op alsof hij een kind is.
'Het spijt me, het spijt me, het spijt me, het spijt…'
'Dag, hou op.' Bron laat hem los,zet zijn kap af en houdt hem op een armafstand van zich af zodat ze elkaar recht in de ogen kunnen kijken. ' Ada is veilig, ze had platte band en moest te voet afkomen. Ze had haar gsm niet bij. Het was allemaal onnodige verwarring. Ik ben diegene die mijn allergrootste excuses moet aanbieden.'
'Ze is ok? Ada is in orde?'
'Heb je wel geluisterd naar wat ik zeg?' Bron draait met zijn ogen.
Dag schudt zijn hoofd. Hij was opgehouden met luisteren nadat hij 'Ada is veilig' had gehoord. Bron rammelt hem door elkaar.
'Doe dat nooit meer, er zomaar vandoor gaan. Heb je dat goed begrepen?'
'Ja, ja…'
'En haal die lach van je gezicht, je ziet er…Ben je dronken?'
'Nope, absoluut niet. Gewoon enorm blij om je te zien. Ik zal het na vandaag nooit meer zeggen maar Bron, ik heb je gemist.'
'Hmmm.'
'Hmmm, wat? Nu hoor jij te zeggen : ' ik jou ook Dag, op zijn minst een beetje.' Bron kijkt hem kritisch aan. ' Ik moet wel toegeven, Dag, dat het leven veel rustiger was voor enkele dagen. Net een vakantie.'
'Pfffn verrader.'

 

Enkel ingeschreven gebruikers kunnen stemmen.

Totale score: 1

Uitstekend: 0 stem(men), 0%
Goed: 1 stem(men), 100%
Niet goed: 0 stem(men), 0%

totaal 1 stem(men)
Er zijn 6 bezoekers online, waarvan 0 leden: .