writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Tussen hoop en verdriet...

door GoNo2







Ik sta aan de ingang die tevens dienst doet als uitgang van het St-Pietersstation. Geduldig wachtend tot ze me komen oppikken. De trein was stipt op tijd, met een kleine vertraging van een kwartiertje. Maar kom, ik mag niet klagen, pendelaars maken het alle dagen mee. De kaartjesknipster is een vriendelijke dame, die zich verontschuldigt omdat de trein te laat is. Er lag ergens een omgewaaide boom op rails. Kan gebeuren, zeg ik haar. Wat is een kwartier in een mensenleven hé?

Ik hoor m'n naam roepen, maar zie niemand. Het regende in Antwerpen, hier ook. Ik heb trek in een bakje koffie. Al was het maar om wat warmer te krijgen. Weer hoor ik m'n naam roepen. Hé, dove kwartel, 't is hier te doen...Ik kijk links en rechts, zie iemand door z'n autoraampje zwaaien. Ik ga er naar toe en zie dan pas dat het m'n broer is.

' Ik zit hier al een uur te roepen...'zegt hij.
' Een uur? Ik sta hier nog maar tien minuten. En daarbij, ik kijk niet naar lelijke mensen...'
' Koop u eens een spiegel hé?'
' M'n schoonheid is oogverblindend, er is veel kans dat als ik in die spiegel kijk, ik e rest van m'n leven schele koppijn heb...'
' Gaat ge nog instappen of is het voor morgen?'vraagt m'n broer met enige aandrang.
' In Antwerpen zijn we gewoon dat ze de portiek open doen...'zeg ik om hem nog meer te jennen.
' Is het je nog niet opgevallen dat je toevallig in Gent bent?'
' Ja hoor, er stond een bordje met ' Hier begint de brousse!!'

M'n zus zit achterin, trekt zich van al die zever niets aan. Ze is verdiept in de Dag Allemaal. Zal op de hoogte willen blijven over het wel en wee van al die naast hun schoenen lopende BV's. Dag zus, zeg ik tegen haar. Geen antwoord. Ook goed.

' Zeg, laten we eerst een tas koffie gaan drinken...'zeg ik tegen m'n broer.
' Da's een goed gedacht, kunnen we eventjes bijpraten...'Zal op de hoogte willen blijven over het wel en wee van al die naast hun schoenen lopende BV's. Dag zus, zeg ik tegen haar. Geen antwoord. Ook goed.

' Zeg, laten we eerst een tas koffie gaan drinken...'zeg ik tegen m'n broer.
' Da's een goed gedacht, kunnen we eventjes bijpraten...'
' Veel valt er niet bij te praten, 't is dik tegen m'n goesting dat ik ons broertje ga bezoeken...' zeg ik eerlijk.

M'n broer kent een taverne hier in de buurt. We zijn er op vijf minuten. M'n zus schiet wakker, vraagt wat we hier gaan doen. De Story lezen, zeg ik haar, wat anders? We gaan binnen, 't is er niet druk, de taveernes hebben zwaar te lijden onder die witte kassa's, denk ik. Twee koffie's en een theecitroen, aub? Ik betaal, zeg ik de grote Jan uithangende. We hadden niets anders verwacht, is hun antwoord. Zwijg of de prijs van een parkeerticket gaat omhoog op onze parking, zeg ik met een grijnslach...

De consumpties worden op ons tafeltje neergezet. Suiker en een koekje zijn ze vergeten. Kan gebeuren, denk ik voor de tweede keer. Misschien is dat hier de lokale gewoonte. Misschien moet je dat meebrengen van thuis, 't is overal crisis hé? M'n zus staat recht, gaat naar de toog en komt terug met koekjes en suiker. Tellen ze hier de suikertjes en de koekjes, vraag ik haar. Ik denk het, zegt ze...
' Bon, wat gaan we tegen hem zeggen?'vraag ik.
' Ik wil eerst zien hoe hij eraan toe is...'zegt m'n broer.
' Hoezo? Ben je dan nog niet op bezoek geweest?'is m'n vraag.
' Nee, er zijn nog mensen die moeten werken hé?'
' Werk je nog altijd bij die paters? Ze gaan je nog heilig verklaren...'zeg ik.
' Jij zult niet in de hemel komen. God en Jezus kunnen niet tegen je sarcasme en nog minder tegen je ironie. Is de thee lekker? De koffie is nogal aan de flauwe kant. Vindt je ook niet?'
' Ze gebruiken hier tweemaal dezelfde koffie in dat espressogedoe. Er hangt zelfs nog lippenstift op m'n kopje...kijk maar...'
' Dat beetje lippenstift staat je goed. Je kunt straks bij mij thuis een rokje krijgen...'zegt m'n zusje.

Ik wens haar naar de duivel, maar laat het niet blijken.

' Ja, wat kunnen we zeggen?'zegt broerlief.
' Ik heb veel goesting om te vragen waar ons geld gebleven is...'zegt zusje.
' Ik ben niet van Antwerpen gekomen om hier ruzie te maken over geld. 't Is allemaal al zo lang geleden hé? Stel dat hij maar een paar maanden meer te leven heeft, moet ik dan om m'n centen vragen? Hij zal wel andere zorgen hebben, zeker?...'
' Ja zusje, feitelijk heeft grote broer gelijk. Laat hem maar voorlopig gerust met die geldkwestie. 't Is zo al erg genoeg...'

Ik krijg gelijk van m'n broer, dat ik dat nog mag meemaken. De wonderen zijn de wereld nog niet uit...

' Wanneer begint het bezoek?'vraag ik.
' Van 14:00. tot 18:00.'
' Dan hebben we nog tijd genoeg. 't Is nog maar kwart na twaalf. We kunnen misschien iets eten?'
' Ge gaat toch niet denken dat ik hier iets ga eten? Hebt ge de prijzen al eens gezien?' zegt m'n zusje.
' Nee, maar ik heb honger hé?'
' Een beetje verder is een frituur. We kunnen er te voet naar toe, 't is hier juist achter de hoek...'zegt m'n broer, die hier schijnbaar goed z'n weg weet.

Juist achter de hoek? 't Zijn verdomme grote hoeken in Gent. Bijna tien minuten door de regen lopen om dan voor een gesloten deur te staan. Kan alleen maar mij overkomen...

.

' Zeg, die doen maar pas om 17:00 open. Dat wist ge niet hé? Kan m'n teerbeminde broer misschien een andere eettent aanbevelen?'
' Uw teerbeminde broer kan u de Hilton aanbevelen, die is zeker open...'

Hoor ik daar geen beetje sarcasme in z'n stem? 'k Zal het gedroomd hebben zeker?

' Ik weet hier niet ver vandaan een frituur die open is....'zegt m'n zusje.
Daar gaan we weer, denk ik dan. Niet ver? Een kilometertje of twee door de regen lopen, da's schijnbaar voor hen niet ver...
Ik begin het stilletjes op m'n heupen te krijgen. 'k Had al beter m'n schoofzakje meegebracht...

't Is inderdaad niet ver, hoe gaan we dat schrijven? 't Is er druk en de porties frieten zijn groot. Het stoofvlees is vers, de mayo ook. Ik zeg tegen m'n familie dat er nog weinig frituren zijn die iets vers serveren. 't Is tegenwoordig allemaal blik en diepvries. Ja, antwoordt m'n broer, alleen in Gent te verkrijgen hé? Zwijg, zeg ik, of we vragen in Antwerpen meer voor onze patatten....

We komen buiten, buikje rond gegeten. M'n broer staat te trappelen op één been...

' Wat schelt er? Moet ge gaan plassen soms?'
' Nee, verre van. Maar ik weet verdomme niet meer waar ik de auto geparkeerd heb...'

M'n zusje kijkt hem aan met dodelijke ogen. Pure zusterliefde, concludeer ik.

' Hoezo? Je weet niet waar de auto staat?'foetert ze op kwade toon.
' Nee, weet jij het?'
' Nee, ik ben geen chauffeur hé?'
' Weet jij het soms?'vraagt hij aan mij.
' Hoe zou ik dat nu kunnen weten, ik herken Gent helemaal niet meer. Ik weet zelfs de kleur van je auto al niet meer...'
' Komt dat tegen. Ga met uw broers maar eens op stap, ze zijn al jaren dood en ze weten het nog niet...'zegt m'n zusje, die zich nu ferm aan het opwinden is.
' We moeten gewoon de weg terug gaan tot we aan die taverne komen. Hoe heet dat beestje ook al weer?'zeg ik met enige gevoel voor logica.
' Iets met Bristol of Bistro, denk ik.'zegt m'n broer.
' Is het niet iets met Brico? Of taverne 'Gamma'?'vraag ik.

Hij kan er niet mee lachen. Wat een zuurpruim. Dat heb je met niet ver gelegen etablissementen, denk ik dan. We gaan richting station. Na het eerst gevraagd te hebben aan een voorbijganger, die nog een halve pot mayo in z'n baard meesleurt. De bijhorende frieten zullen er onderweg uitgevallen zijn, is m'n vermoeden. Schoon volk in Gent, moet ik zeggen.

We vinden z'n auto. Godzijdank. 't Is een donkerblauwe. Onthouden voor straks, misschien de nummerplaat ook nog opschrijven, je weet maar nooit hé? Alzheimer is schijnbaar een familieziekte die gepaard gaat met een beetje geheugenverlies...

Om vijf voor twee zijn we in het UZ. Tijd zat dus...

We nemen de lift. Ik weet al een hele tijd niet meer waar ik ben. Wat een doolhof. Hier vindt zelfs een haan z'n kiekens niet meer terug. Maar m'n zusje weet de weg, gezien ze hier vroeger ook eens gelegen heeft. Ik vraag aan m'n broer of hij nog weet waar de auto staat. Ja, zegt hij, naast de glascontainer. Daar staat een bord dat je er niet mag parkeren, zeg ik. In Antwerpen zouden ze die wegslepen en nog een fikse boete er bovenop. In Gent steken ze zelfs nog geld onder de ruitenwisser, zegt hij. Dat zal wel, denk ik dan...

We komen aan z'n kamer. De gang ruikt naar ontsmettingsmiddelen en ether. Het beneemt me de adem. Ik kan er nog altijd niet tegen. Ik duw m'n zusje naar voor. Ze mag de spits afbijten. m'n broer zit rechtop in z'n bed met een koptelefoon op z'n kale knikker. Door de chemokuur is z'n haar uitgevallen, zoals bij de meesten. Toch raar dat men z'n haren verliest, denk ik plots. Hij kijkt op, een beetje verbaasd omdat hij ineens mij ziet staan. Hij wordt rood tot achter z'n oren. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik, die nooit op m'n mond gevallen ben, sta hier nu bedeesd me af te vragen wat ik hier kom doen...

Ik moet de knoop doorhakken, die andere twee zwijgen ook al als vermoord...

' Hallo, je ziet er goed uit...'lieg ik alsof het gedrukt staat.
' Onkruid vergaat niet...'zegt hij met een klein lachje.
' En wat zeggen de dokters?'wil ik weten.
' Dat de chemo haar werk doet. Maar 't is iets van lange adem en bang afwachten...'

Ik bekijk hem eens goed zoals een slager z'n vlees keurt. Man, man, man, hij is zeker twintig kilo afgevallen als het niet meer is. Hij ziet er niet uit als een zesenveertigjarige. Meer als iemand die er zesenzeventig is. Wat kanker met een mens kan doen hé? Ik word er zestig binnen enkele maanden, heb gerookt als een ketter, gezopen en achter de vrouwen gelopen, zou dat ook m'n lot zijn? Ik krijg oprechte medelijden met hem. Foert aan het geld dat hij van mij gestolen heeft, Foert aan al z'n leugens en bedriegerij. Hier ligt een mens, een hoopje mens dood te gaan. Ik geloof niet in sprookjes en ruik de dood van op afstand. In z'n ogen lees ik dat hij het ook weet...

Hij is moe, geweldig moe. Z'n ogen vallen constant dicht. De verpleegster zegt dat we beter morgen terug komen, hij heeft nu z'n rust nodig. We verlaten op kousenvoeten de kamer. Tot nog eens, horen we hem zeggen. Ja, tot nog eens, bij leven en welzijn, denk ik dan...

Ik ben blij dat ik buiten sta, steek een sigaret op, inhaleer diep. Kijk m'n broer en zus aan. We zeggen geen woord. Ieder bezig met z'n eigen gedachten. Ik wil hier weg, weg uit Gent. Terug naar de beschutting van m'n appartementje. Weg van de dood die hier om elke hoek van het ziekenhuis loert. Ik wil naar m'n kat, haar knuffelen omdat ik m'n bloedeigen broer niet geknuffeld heb. Ik durfde het niet, 't was misschien het enige waar hij op hoopte..

©GoNo

 

feedback van andere lezers

Enkel ingeschreven gebruikers kunnen stemmen.

Totale score: 4

Uitstekend: 2 stem(men), 100%
Goed: 0 stem(men), 0%
Niet goed: 0 stem(men), 0%

totaal 2 stem(men)
Er zijn 6 bezoekers online, waarvan 1 lid: bragt.