writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

De Schaduw van de Baron

door koyaanisqatsi


DE SCHADUW VAN DE BARON

21 augustus 1791

Met z'n handen in de nek geslagen, de benen gespreid en z'n rug, ondersteund door twee hoofdkussens, lichtjes rechtop gekromd, leek het wel of Laval ontspannen onder een boom lag te soezen. Maar hij bevond zich in z'n slaapkamer en z'n ogen waren niet gesloten, lagen niet te rusten onder de bescherming van hun getaande oogleden, maar brandden met ziekelijk genoegen op het naakte lichaam van Célestine, zijn "uitverkoren" slavin, die hem oraal bevredigde.
De moeder van P'tit Val, de bastaardzoon die hij bij haar had verwekt, zat als een geketende tussen zijn door insektenbeten getekende benen gebogen en hield de ogen gesloten tot Laval gromde dat ze hem moest aankijken. Zoals altijd genoot de opzichter met volle teugen van de machtswellust die hij al ruim drie jaar op sadistische wijze op de slaven botvierde. Sinds de Baron, constant door tropische kwalen geplaagd, naar Frankrijk was teruggekeerd, zwaaide hij als een gewetenloos alleenheerser de plak over één van de meest productieve plantages in het noorden van Haïti. Z'n wreedheid was tot ver in de omtrek veelbesproken maar genoot, geruggesteund door z'n resultaten, eerder bewondering dan afkeuring. Niet zelden kwamen hem lovende uitspraken van grootgrondbezitters ter ore die ervan droomden het reilen en zeilen van hun plantages volledig aan zo'n bekwaam iemand als Laval te kunnen overlaten.
Z'n bijnaam, de Schaduw van de Baron, werd zowel door de zwarten, de mulatten àls de blanken gebruikt en had hij te danken aan de manier waarop hij te paard z'n inspectietochten maakte. Net zoals de Baron hield hij constant z'n rechtervuist in z'n zij, terwijl z'n linkerhand zodanig nonchalant de teugels vierde dat het niet anders kon dan dat er een blind vertrouwen in z'n paard achter schuilging. Nochtans was er geen sprake van bewuste imitatie. Laval en de Baron leken in geen enkel opzicht op mekaar. De Baron was een naïeveling met een bijna vrouwelijk gelaat en een zwakke gezondheid, die z'n slaven, de gangbare normen in acht genomen, redelijk goed behandelde, terwijl de net zo gewiekste als taaie Laval een rabiaat racist was met een gezicht dat dezelfde robuuste sporen droeg als dat van een oude zeeman.

Zo nu en dan wierp de opzichter een waakzame blik op Baptiste, de achterlijke reus, die als een schildwacht bij de deur had postgevat. Célestine, die over de gave beschikte Lavals ogen te kunnen volgen zonder dat hij het merkte, profiteerde van iedere korte onderbreking van z'n aandacht om de ogen opnieuw te sluiten, alsof ze daarmee voor een handvol seconden de schaamte en vernedering uit haar gedachten kon bannen. Haar leven als meid, hoer en voetveeg van deze blanke duivel was een hel waaruit geen uitweg was. Laval had haar volkomen in z'n greep, kon met haar doen en laten wat hij wilde, omdat haar enige bestaansreden, P'tit Val, haar nauwer aan het hart lag dan een bevrijdende zelfmoord.
Célestine's moederliefde voor de kleine jongen was net zo grenzeloos als haar haat voor zijn verwekker, die met de belofte dat hij het kind geen haar zou krenken zolang zij maar deed wat er van haar verlangd werd, zowat voor de enige keer in leven tegenover een zwart z'n woord hield.
Toen Laval haar toesnauwde dat haar kont omhoog moest, begon Célestine zichzelf te vervloeken. Ze had gehoopt dat het gevreesde vervolg ditmaal zou uitblijven en voelde zich door dit diepe verlangen bedrogen als een in de steek gelaten geliefde. Achter haar hoorde ze Baptiste al blazen als een stier. Laval sprak bevelend z'n naam uit, waarop hij met lomp ploffende, zware voetstappen z'n post verliet en zich op Célestine stortte met dezelfde onbehouwen, bijna bovenmenselijke kracht waarmee hij op de plantage bergen werk verzette.
Biddend om een sneller verloop van de tijd onderging de vrouw de brutale penetratie die haar niets dan brandende pijn en een verterende angst voor een nieuwe, ongewilde zwangerschap opleverde. De achterlijke kolos werd door de door voodoo geobsedeerde slaven als des duivels beschouwd en dus paste het volkomen in Célestine's logica dat een kind van hem dragen al haar andere kwellingen als een absolute ondraaglijkheid zou overtreffen.
Als een gehypnotiseerde pervert aanschouwde Laval het pornografische tafereel dat zich voor z'n ogen afspeelde en waarvan hij tegelijkertijd regisseur en figurant was. Schaamte en schuldgevoelens waren voor Laval ijdele begrippen met zo mogelijk nog minder waarde dan de eerste de beste neger -die tenminste nog mateloos kon worden uitgebuit- en op precies dezelfde wijze smeet hij de contradictie tussen zijn haat voor zwarten en zijn voorliefde voor rauwe sex met hun vrouwen op de mesthoop van zijn totaal van scrupules verstoken bestaan.
Toen zijn opwinding een hoogtepunt bereikte kneep hij onder gesmoord gekreun krampachtig de ogen dicht, waardoor het hem ontging dat Célestine's gelaat in tegenstelling tot anders niet vertrok van walging maar onheilspellend uitdrukkingsloos bleef. Baptiste van zijn kant beukte onvermoeibaar en zonder enig besef van de draagkracht van z'n opgelegde wandaad verder op Célestine in, tot Laval uit z'n extase ontwaakte, in een ridicule opwelling van jaloezie naar de zweep greep -die hij veiligheidshalve altijd binnen handbereik hield- en hem met enkele striemende slagen de kamer uitjoeg. De blik waarmee de opzichter vervolgens in de donkere ogen van Célestine keek, moest zogezegd een complexe vorm van liefde bekennen maar was voor de ongelukkige vrouw weinig meer dan een portie zout in een onmogelijk te helen wonde.



22 augustus 1791

Het zwart van de nacht mengde zich met de roodgele gloed van het vuur dat zich meester had gemaakt van het land. De brandhaarden groeiden aan, zwollen op tot heuvels van vlammen en joegen de tropische temperaturen naar een haast ondraaglijke hitte.
Laval had zich in zijn slaap laten verrassen. Eugène, Sylvestre, Moïse en Bonavonture, de bewust uitgekozen potigste slaven, hadden hem gegrepen, gekneveld en naar buiten gedragen.
De plantage, met ijzeren hand geleid door de Schaduw van de Baron, zou niet gespaard blijven van de moordende, door Boukman geleide slavenopstand die de geschiedenis zou ingaan als de Vuurnacht. Maar toen Laval werd vastgebonden aan één van de palen waaraan hij zelf al menig slaaf half kreupel had gefolterd, wekte nog niets de indruk dat zijn "rijk" enkele minuten later getransformeerd zou zijn tot de hel op aarde. Het was zelfs opvallend hoe rustig zijn overweldigers bleven en hoe passief de andere slaven toekeken terwijl hij in een vat van complete weerloosheid werd gedompeld.
Laval concludeerde hieruit dat een combinatie van angst en twijfel de slaven in hun greep hield en dat hij weinig meer moest doen dan z'n kalmte bewaren, subtiel op hen inpraten en de vanzelfsprekend valse belofte maken dat er geen represailles zouden volgen indien ze hem ongedeerd lieten. In z'n binnenste woedde ondertussen al wel een razernij die de vreselijkste wraakacties smeedde en z'n blinde haat, voor zover nog mogelijk, opschroefde tot een onstuitbaar verlangen om die zwarte bende uit te roeien.
Maar toen werd de relatieve rust verstoord door hysterisch geschreeuw. Het was de vrouw van Leblanc, de secretaris van de Baron, die het noodlot precies op deze fatale dag naar de plantage had gestuurd om Lavals administratie door te nemen. Ze was helemaal naakt en werd door een slaaf die Laval niet herkende bij de haren tot aan zijn voeten gesleept. Haar gebroken lichaamshouding en waanzinnige blik vertelde Laval dat ze het ergste al had ondergaan en slechts wachtte op haar enige resterende hoop: een bevrijdende executie. Charlotte, één van de slavinnen die Laval "kende" zoals Célestine hem bijna dagelijks moest verdragen, kwam op de vrouw toegestapt en smeet haar een lillende klomp bloederig vlees in het gezicht. De vrouw was te ver heen om te ontwaren dat het de afgesneden geslachtsdelen betrof van haar man, die op hetzelfde ogenblik uit het raam van zijn slaapkamer werd gegooid.
Ondanks deze apocalyptische voortekenen bleef Laval ervan overtuigd dat hij spoedig de gedaante zou aannemen van een wraakengel die met een allesvernietigende kracht het zwarte ongedierte van de kaart zou vegen. De almacht van de afgelopen jaren had hem immuun gemaakt voor het besef van zijn menselijke kwestbaarheid, had hem doordrongen van een zelfoverschatting die grensde aan de overtuiging dat hij God was.
Toen Leblancs vrouw naar hem toekroop en z'n benen omklemde verplaatste Lavals haat zich naar haar persoon, alsof zij met haar demonstratie van wanhoop en weerloosheid haar complete vernedering naar hem toeschoof. Hij wilde haar als een schurftige hond wegschoppen en werd nog wat razender omdat z'n geketende voeten hier niet toe in staat bleken.
'Maak me los, nu!' brulde hij, waarna het te late besef van het verlies van z'n koelbloedigheid hem letterlijk in het hart sneed.
Célestine kwam van tussen de steeds talrijker opdoemende donkere gezichten tevoorschijn, stapte op hem toe en verkocht hem een oorveeg.
'Wil je je vel redden?' zei ze met een gespannen, hese stem, 'doe dan met haar wat je dat monster met mij laat doen!'
Lavals blik spuwde haat als nooit tevoren. Tegelijkertijd begon hij ook zichzelf te misprijzen omdat hij zich zo vaak had laten verleiden tot intimiteiten met deze verraderlijke heks en vervloekte hij zijn zwakte omdat hij de belofte haar bastaard ongemoeid te laten niet botweg had gebroken.
Z'n antwoord aan Célestine was duidelijk: hij spuugde haar in het gezicht en zei, bijna te zacht om geloofwaardig te klinken: 'Branden in de hel zal je, zwarte teef...'
De reactie leek het signaal waarop de slaven hadden gewacht. Langs alle kanten barstten strijdkreten los. Célestine veegde met de rug van haar hand haar gezicht schoon, keek Laval nog heel even met een vreemde blik aan en liep weg. Overal rondom werd er nu brand gesticht en zette vernielzucht zich om in gewelddadige geluiden.
Bij gebrek aan blanken in de directe omgeving moesten de mulatten, waarvan sommigen als trouwe waakhonden van Laval hadden geholpen z'n terreurbewind op te bouwen, het extra ontgelden. Léon, die zowat als zijn adjudant geboekstaafd stond, werd naast z'n meester aan een paal vastgemaakt en de tong uitgerukt. De vrouw van Leblanc werd opnieuw weggesleept en verdween in de duisternis, krijsend en tevergeefs om genade smekend.
Laval kon geen geloof hechten aan de chaos die met het grootste gemak zijn met zoveel fanatisme verdedigde orde vernietigde en die nochtans het bewijs leverde voor zijn overtuiging dat zwarten wilden waren; beesten, waarvoor het koesteren van het minste medeleven je fataal kon worden. Dat de brutaliteit waarmee de slavernij op Haïti in praktijk werd gebracht het zaad voor deze uitbarsting was, ging zijn racistisch redeneringsvermogen te boven.
Célestine kwam opnieuw aanzetten met een diepe pan in de ene en een ijzeren trechter in de andere hand. Ze was in het gezelschap Moïse en Sylvestre, twee van Lavals gijzelnemers, en Maurice, haar jongere broer, die een machete vasthield.
De krachtige handen van Moïse en Sylvestre braken met enige moeite het verzet van Lavals opeengeklemde kaken. Maurice drukte de trechter in z'n keel waarna Célestine de inhoud van de pan in één vlotte beweging in de trechter goot. Lavals kreet werd gesmoord in de kokende olie die met een ongemene traagheid haar verschroeidende werk deed. Z'n lichaam spartelde zodanig dat het zich half wist los te rukken van de touwen waarmee het zat vastgemaakt, waarna z'n benen ongecontroleerd in het wilde weg begonnen te trappen. Toen reikte Maurice zijn zuster de machete aan. Ongevoelig voor Lavals weerzinwekkend uitpuilende ogen voltrok Célestine haar wraak. Met een scheurend geluid drong de machete net onder het borstbeen zijn lichaam binnen. De penetrante geur van verbrand vlees mengde zich met de stank van bloed en ingewanden en kondigde de dood van de Schaduw van de Baron aan. Langs alle kanten kwamen brullende slaven toegelopen om zijn levenloze lichaam met bijlen en machetes in stukken te hakken. Célestine bleef onbewogen naar het macabere tafereel staren tot een zware stem haar uit haar halve droomtoestand schudde.
'Céletine! Céletine!'
Toen Célestine zich omkeerde werd het restant van haar verminkte ziel met een niets ontziende brutaliteit opengespleten. Baptiste kwam helemaal onder het bloed op haar toegestapt, hield het hoofd van P'tit Val als een trofee voor zich uit, glimlachte dwaas en lalde:
'Ik hem gedood voor jou, Céletine! De kleine duivel, ik hem gedood... Voor jou...'

 

feedback van andere lezers

  • aquaangel
    z'n zou ik zijn van maken, je gebruikt het nog al veel ;)

    en ik zou 21 en 22 augustus apart van elkaar hebben ingestuurd.. echt waar haha ik blijf er over doorzeuren xx
    koyaanisqatsi: ja, dat van "z'n" heb ik al meer gehoord... misschien maar eens doen...
    vreesde een beetje om ze apart in te sturen, dan krijgt je misschien reacties van: "daar heb je'm weer, met z'n vervolgverhalen...'
  • RolandBergeys
    Leuk geschreven Koya, zoals steeds. Toch val ik ook steeds weer over die z'n en m'n-toestanden, het zal je een zorg wezen...
    koyaanisqatsi: nee hoor, ik denk er over na... thnks
  • Ghislaine
    Knap geschreven.
    koyaanisqatsi: dank u zeer
  • Wee
    Jézus, wat een verhaal, wat een einde ... Kippenvel, Koyaanisqatsi.
    x
    koyaanisqatsi: Had beter gekund, vind ik achteraf. (maar dat denk ik altijd)
    Thnks x
Er zijn 5 bezoekers online, waarvan 0 leden: .