writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (1)

door koyaanisqatsi

1. DE DERDE AFRIKAANSE REPUBLIEK

Ik had me mijn leven wel enigszins anders voorgesteld, maar achteraf gezien mocht ik beslist niet klagen. Als vertegenwoordiger van het Magazine ter Bevordering van de Verspreiding van de Cosmopolitische Gedachte had ik al behoorlijk wat van de wereld gezien toen de uitgever me de opdracht gaf een tent te gaan opstellen in de hoofdstad van de Derde Afrikaanse Republiek. Het waarom van deze operatie was me een compleet raadsel, maar vertrouwend op het commerciële inzicht van m'n broodheer was ik er tamelijk gerust in. Ik werkte netjes mijn afspraken af, bracht, zoals het een goede vertegenwoordiger past, mijn cliënten van mijn vertrek op de hoogte, vulde mijn reisapotheek aan en vertrok.
De luchthaven van de hoofdstad van de Derde Afrikaanse Republiek beantwoordde niet aan mijn pessimistische verwachtingen. Het hoofdgebouw was een moderne, grotendeels metalen constructie met een futuristisch architecturaal karakter. Meisjes van uiteenlopende leeftijden hielden vanop het terras bordjes in de hoogte die samen de zin vormden: 'Welkom in de Derde Afrikaanse Republiek. Hier: geen aids!'
Een medepassagier gaf me een por met zijn elleboog, wees met zijn kin naar boven en zei: 'Vorige keer toen ik arriveerde, stond er een verdwaalde kerel tussen die meisjes, met een spandoek met het opschrift "Welkom in Singapore. Doodstraf voor drugskoeriers!" Ze lieten hem gewoon voor Piet Snot staan; geen mens die zich er wat van aantrok. Da's Afrika, als je begrijpt wat ik bedoel!'
Een politiebeambte die niet eens de moeite nam zijn ogen naar me op te richten, zette een onduidelijke stempel in m'n paspoort. Toen ik hem op de onleesbaarheid van zijn werk wees, haalde hij de schouders op en zuchtte: 'De kwaliteit van onze stempels laat te wensen over, meneer. Voor klachten gelieve u te wenden tot de Commissie ter Controle van de Werking van de Democratische Mechanismen.'
Aandringen om een nieuwe stempel had dan ook geen zin. Ik bedankte vriendelijk voor het klachtenformulier dat me werd toegeschoven en bereidde me voor op een grondig doorlichten van mijn bagage door corrupte douaniers. De ontvangers van invoerrechten en accijnzen gedroegen zich evenwel verbazingwekkend correct en waren, zeker in vergelijking met de stempelzettende grensbewaker, uitermate vriendelijk.
De door de uitgever ingehuurde gids stond me in de hal van de luchthaven op te wachten. Het was een tamelijk kleine, jong ogende man, die om een niet nader te verklaren reden de indruk wekte ongelofelijk lenig te zijn. Hij hield een bordje voor zijn borst waarop mijn naam voor één keer foutloos gespeld stond. Het stemde me blij. Emil Klainenduvel -toegegeven, niet meteen de eenvoudigste naam- was in het verleden maar al te vaak misvormd tot een onmogelijk uit te spreken lettercombinatie.
Ik stapte op de gids toe, die van zodra hij me in het oog kreeg breed begon te glimlachen. Hij stak het naambordje onder zijn arm en begon me met ondubbelzinnige, oprechte hartelijkheid de hand te schudden.
'Welkom in de Derde Afrikaanse Republiek, meneer Klainenduvel. Mwamba Kazadi, om u te dienen.'
Mwamba Kazadi zou in mijn ogen maar weinig meer verkeerd kunnen doen: behalve dat hij mijn naam correct kon neerschrijven, was hij ook nog eens in staat hem rimpelloos over zijn lippen te laten rollen. Hij loodste me veilig doorheen een cordon eerlijke en minder eerlijke geldwisselaars en stelde me voor aan Mamadou, de chauffeur die ons met een onder aangekoekt slijk zittende landrover naar het hotel zou brengen.
De weg van de luchthaven naar de stad was langs weerskanten volgebouwd met huizen zonder verdieping. Bijna allemaal huisvestten ze druk bezochte winkeltjes of cafés waar oudere mannen een Afrikaanse variant van het schaakspel speelden, keuvelden, of mijmerend het dagelijkse leven gadesloegen. Jongens speelden ongestoord voetbal, auto's ontwijkend alsof het een vanzelfsprekend onderdeel van het spel betrof. Meisjes hielpen hun moeders met het dragen van boodschappen die de proporties van regelrechte vrachtjes hadden aangenomen.
Mamadou moest vertragen. Een agent die het verkeer wilde afleiden naar een doodlopende steeg werd door de hem omringende menigte uitgelachen.
'Ze zullen hem zeker verkiezen!' riep iemand.
'Als hij zich kandidaat stelt, tenminste!' repliceerde een ander.
'Zo'n genie hoeft zich niet eens kandidaat te stellen om verkozen te worden!'
De menigte schaterde het uit; een imam stapte hoofdschuddend van het spektakel weg, kruiste het pad van een gehaaste Anglicaanse priester en zei: 'Dat komt ervan.'
Ik vroeg mijn gids naar de reden van de talloze gele vlaggen aan de linkerkant van de weg.
'Het zijn de vlaggen van de regerende Democratische Partij,' antwoordde hij lachend. 'De president doet het goed. De blinde vrouwen die de vlaggen wekelijks strijken, verdienen twee keer zoveel sinds hij aan de macht is. Kwatongen durven de vrouwen wel eens smalend de rijkste gehandicapten ter wereld noemen, maar dat is slechts misplaatste jaloezie. Zeg nu zelf, meneer Klainenduvel: niemand wil toch zijn ogen ruilen voor een beter salaris.'
'Waarom alleen vlaggen aan de linkerkant van de weg?' wilde ik weten.
'De Democratische Partij is niet rijk genoeg om beide kanten van de weg te versieren,' bekende Mwamba Kazadi niet zonder enige schaamte.
We doken de diepte in en veerden na een luide knal weer omhoog. Mamadou had verzuimd een kuil in de weg te ontwijken
'Al een geluk dat we met een landrover rijden,' probeerde ik mijn begeleiders flegmatiek gerust te stellen, zodat ze niet moesten vrezen dat ik achter hun rug bij hun bazen mijn beklag zou doen.
De stad kwam in zicht. Niet afgebouwde wolkenkrabbers barsten als gezwollen aders uit roestige stijgers. Enorme schotelantennes vormden witte stippen op de groene heuvels van de residentiële buitenwijken; kerktorens en minaretten stonden kriskras door mekaar. De bomen werden schaarser, of in ieder geval naar voor het openbare leven nutteloze uithoeken verdrongen Het verkeer nam toe: overvolle schoolbussen braakten stinkende, zwarte rook uit; steeds meer fietsers mengden zich tussen de auto's. Vrachtwagens kregen het door hun omvang en logheid steeds moeilijker om een doorgang te vinden zonder ongelukken te veroorzaken.
Bij een kraampje waar houtsnijwerk werd verkocht, stond een groepje toeristen met enkele straatventers te discussiëren. Een dikke, roze vent maakte zich van het groepje los. Hij veegde constant zweet van zijn verbrande voorhoofd terwijl een wanhopige blik diepe spijt verraadde van zijn vakantie in de Derde Afrikaanse Republiek.
'Ons land is geen land voor toeristen,' merkte Mwamba Kazadi op.
'Bestaat zo iets wel,' vroeg ik, 'een land voor toeristen?'
Mwamba Kazadi lachte een begrijpende lach.
De hemel vulde zich met regenwolken. De zon ondernam een schuchtere poging om het overwicht te behouden; ze had te veel ervaring met het onverzettelijke karakter van het regenseizoen. Ik begon te vrezen voor mijn bagage, die zich onbeschermd tegen de slagkracht van een tropische regenbui in het bagagerek op het dak van de landrover bevond.
'Maak u geen zorgen, meneer,' zei mijn gids, alsof hij mijn gedachten kon lezen, 'we zullen nog voor de regen in het hotel zijn.'
Zijn voorspelling getuigde van kennis van zaken: de eerste donderslag wachtte tot Mamadou de wagen naar de oprijlaan voor het hotel stuurde; druppels vielen er pas toen Mwamba Kazadi de glazen deur van de inkomhal voor me openduwde.
Mijn oog viel meteen op een opzichtige militair die een krant van slechts één blad zat te lezen. Het felle rood en goud van zijn epauletten stak onsmakelijk af tegen het kaki van zijn uniform. Hij had zijn linkerbeen over zijn rechter geslagen en vertikte het te luisteren naar de piccolo die naast hem zat en onophoudend herhaalde: 'De benen over mekaar is bevorderlijk voor spataders.' Zijn aandacht week pas van zijn
krant af toen Mwamba Kazadi mijn reistas voor de balie van de receptie neerzette. Toen sloeg hij de krant dubbel, smeet ze op de schoot van de piccolo, stond op en kwam op me toegestapt.
'Meneer Klainen?'
'Klainenduvel,' verbeterde ik, en om een zo beleefd mogelijke indruk te maken, stak ik als eerste mijn hand uit.
De militair salueerde, schudde me de hand en zei: 'Welkom in de Derde Afrikaanse Republiek, meneer. Ik ben kolonel Dupas, Alexandre Dupas. Ik heet zo omdat ergens in een ver verleden Frans bloed in de familie is gesukkeld.'
'Aangename kennismaking.'
'Neem me niet kwalijk dat ik u zo vlak na uw vermoeiende reis kom lastigvallen. Ze was toch wel vermoeiend, de reis?'
'Dat viel wel mee.'
'Oh, dan heb ik me verkeerd laten informeren. Mij is altijd verteld dat met het vliegtuig reizen vermoeiend is. Maar ja, ik heb het nog niet aan den lijve kunnen ondervinden. Ik kan me onmogelijk een vliegtuigticket veroorloven, ziet u. Zelfs het aanschaffen van een volledige krant is op dit ogenblik nogal veel gevraagd. Pas op, ik ben geen arme sloeber. Het is nog niet zo erg met me gesteld dat ik slechts repen krant kan kopen. Maar kom, misschien zit er binnenkort wel verbetering in mijn financiële situatie aan te komen, wanneer u mijn dochter huwt.'
'Wanneer ik uw dochter huw?' schrok ik met een lachje.
De kolonel ging in zijn achterzak en haalde een opgerold lapje wijnrode stof tevoorschijn. Vervolgens stapte hij naar de balie, legde het lapje open en begon met losse vingers tussen touwtjes, kiezelsteentjes en muntstukken te rommelen.
'Mijn dochter,' zei hij, nadat hij met een ongemeen snel uitschietende arm een pasfoto onder mijn neus had gestoken.
'Maar ze is nog een kind,' schrok ik ditmaal ernstig.
'Dat denkt u maar,' zei de kolonel, terwijl hij de foto in zijn borstzak stak. Hij deed geen enkele poging om zijn mening te verduidelijken en maakte ook geen aanstalten om de inhoud van zijn geïmproviseerde portefeuille bijeen te rapen; zelfs niet toen de receptioniste, een mooie, slanke vrouw, hem op een moordende blik trakteerde.
'Maar nu zijn er andere dingen aan de orde,' ging hij verder. 'Ik vrees slecht nieuws voor u te hebben. De tent die u komt opstellen, kan niet geplaatst worden op de plek waar uw opdrachtgever het graag had gewild. Een gesprongen waterleiding heeft de hoek van de straat gisteren blank gezet. Het zal weken, misschien zelfs jaren duren voor de herstellingswerken voltooid zijn. De plattegrond van de stad, die ik u diende te bezorgen om de plaats te localiseren, is dan ook volkomen waardeloos geworden. Ik heb hem, en ik hoop dat u me het niet kwalijk zal nemen, dan maar als brandstof gebruikt. Of beter, ik heb hem aan mijn vrouw gegeven om hem als brandstof te gebruiken. Want het spreekt, me dunkt, vanzelf dat ik als man, én als kolonel (!), geen poot uitsteek in het huishouden.'
Het nieuws was natuurlijk een tegenvaller. Mijn eerste indruk van de Derde Afrikaanse Republiek was wel niet negatief, maar ik had het er raden naar hoe de bestuurders van een land in moeizame ontwikkeling met plots opdoemende problemen als deze omsprongen. Schoven ze mogelijke oplossingen bij gebrek aan deskundigheid op de lange baan, sloegen ze in paniek, vatten ze de koe meteen bij de horens, of verwezen ze het tijdelijk verhinderde plan uit gemakzucht definitief naar de prullenmand?
De kolonel leek me niet het type functionaris dat me verder wegwijs zou helpen. Als militair was hij een man van het uitvoeren en geven van bevelen en van zo iemand kon men moeilijk initiatief, laat staan creativiteit verwachten. Ik vestigde mijn hoop eerder op Mwamba Kazadi, mijn gids, maar die bleek verdwenen. Hij had een briefje achtergelaten bij de receptie waarop hij in een onhandig handschrift zijn verontschuldigingen voor zijn plotse vertrek aanbood en beloofde nog dezelfde avond contact met me op te nemen.
Ik bedankte de kolonel voor het overbrengen van het bericht en wendde me tot de receptioniste om me als gast te laten registreren. Ze vroeg me evenwel een ogenblikje geduld te oefenen. Ze wilde per se eerst de schoonmaakploeg optrommelen om de rommel van de kolonel te laten opruimen. De kolonel zelf uitte nog gauw zijn spijt omdat hij geen goed nieuws had kunnen overbrengen, schudde me nogmaals de hand en verliet het hotel.
'Het is met de militairen niet anders dan met de politici,' zuchtte de receptioniste. 'Ze laten onvermijdelijk troep achter.'
'Er zijn ook bekwame militairen, Pelagie,' zei de piccolo, die met de krant onder de arm naar de receptie kwam gewandeld. Denk maar aan majoor Kwesi, die ons verloste van die achterlijke keizer... Hoe heette die idioot ook al weer?'
'Ik weet wie je bedoelt,' zei de receptioniste, 'maar kan je slechts gedeeltelijk gelijk geven. Want Kwesi is nadien ook zaken beginnen uitspoken die alleen uit het brein konden vloeien van iemand die ze niet allemaal op een rijtje had.'
De piccolo knikte met tegenzin en zuchtte: 'Een land regeren is niet eenvoudig. Zelfs de beste leiders redden het niet zonder hulp van zowel binnen- als buitenuit.'
'Dat interesseert me niet,' zei de receptioniste. 'Zolang ik andermans troep moet opruimen heb ik geen oor naar de verzuchtingen van hen die de pretentie hebben een land te willen besturen.'
'Kijk,' zei de piccolo, terwijl hij me met een uitnodigende blik in het gesprek wilde betrekken. 'Dat is nu precies wat er fout loopt in dit land. Iedereen ligt wakker van zijn eigen akkefietjes en vertikt het oog te hebben voor de structurele problemen!'
'De enige die in mijn ogen een geschikte kerel was, was Marcus,' ging de receptioniste verder, alsof ze de piccolo niet had gehoord.
'Tsaa!' schuddebolde de piccolo. 'Die man is tenondergegaan aan z'n pogingen het interessante fenomeen te omzeilen dat men maximaal vijfenzeventig procent van de bevolking voor zich kan winnen.'
'Hij is kapotgemaakt door huurlingen, betaald door voorstanders van de terugkeer naar de slavernij! Letterlijk nog wel!' gromde de receptioniste. 'En nu is het genoeg geweest, jongen! Draag de bagage van meneer naar kamer honderd en laat je hier niet meer zien. Hoe vaak heeft de manager je al niet gezegd dat we geen piccolo hoeven in dit hotel.'
Mompelend begon de piccolo de krant op te vouwen tot ze de omvang had van een zakdoek. Toen stopte hij ze in zijn broekzak en pakte onder het slaken van een grote zucht mijn reistas op. Op dat ogenblik kwam een op het belachelijke af afgeborstelde vent uit een vertrek achter de receptie gestapt. Hij taxeerde me met heldere ogen en zei, opvallend zacht: 'Dag, meneer, welkom in Hotel Lafayette. Ik ben de manager.'
Dankbaar voor zijn vriendelijkheid gaf ik een beleefd hoofdknikje. De receptioniste schoof een sleutel naar me toe en zei: 'Alstublieft, meneer. Uw kamer is klaar.'
De manager kwam over haar schouder leunen en zei: 'Indien u de borsten van één van onze receptionistes wil kneden, ga gerust uw gang. Maar doe het, in ons aller belang, liefst wanneer er geen andere gasten in de buurt zijn.'
'Ik zal er over nadenken,' zei ik en ging, worstelend met mijn verbazing, de piccolo achterna die onder het fluiten van een lustig deuntje de deuren van de lift voor me openhield.
''t Zijn allemaal smeerlappen, die hotelmanagers,' begon de piccolo te fluisteren van zodra de lift naar boven schoot. 'Ze geven de gasten toelating om de borsten van de receptionistes te kneden om het zelf ook te kunnen doen. Onder het mom van "een onontbeerlijk onderdeel van een noodzakelijk goede opleiding" zijn onze receptionistes, toch symbolen van een betere toekomst voor het land, wel verplicht eraan toe te geven. En Pelagie kan beweren wat ze wil, als Kwesi lang genoeg aan de macht was gebleven, zou er paal en perk aan praktijken als deze zijn gesteld. Maar nee, de luitjes in dit land zijn zodanig bezeten van verandering...'
Vermoeidheid begon me parten te spelen en weerhield me ervan een dialoog aan te gaan. De piccolo leek me te begrijpen want hij glimlachte en zei geen woord meer tot hij mijn reistas in de kamer had neergezet.
'Zo, meneer, u hebt zelf gehoord dat ik hier niet welkom ben, dus waarschijnlijk zal ik u niet meer zien. Nog vanavond vertrek ik naar mijn geboortedorp, waar armoe troef is maar waar er tenminste geen dove kolonels en profiterende managers rondlopen. Succes nog.'
Ik ging in mijn broekzak en gaf de piccolo enkele Euro's.
'Het spijt me,' zei ik, 'maar ik heb geen kleingeld in de lokale munt.'
'Speelt geen rol,' zei de piccolo, 'met geld kun je altijd wel ergens terecht; geld spreekt een universele taal.'
Hij sloeg me op de schouder en vertrok. Ik sloot de deur, kleedde me uit en ging onder de douche staan. Ik genoot van de zeeplucht die de badkamer vulde en het tintelen van de waterstralen die onophoudend mijn vermoeide lichaam besproeiden.
Met slechts een badlaken rond mijn middel zette ik me nadien neer op de vensterbank om de omgeving te aanschouwen. Omdat ik me op de eerste verdieping bevond, bleef het zicht beperkt. De straat beneden was rustig: er kuierden wat mensen en de chauffeur van een bestelwagen loste zijn vracht. Een gemengd paar, een al wat oudere blanke man met een jong zwart meisje, bestudeerde het uithangende menu van een klein restaurant. In de verte maakte een vliegtuig zich klaar voor de landing. De hemel begon opnieuw op te klaren.



 

feedback van andere lezers

  • ERWEE
    Heb dit deel reeds gisteren gelezen.
    Eerste conclusie was: tiens, iets te lang.
    Maar ERWEE heeft daar niet zo'n probleem mee.
    Omwille van de humor en de detaillering.

    bij de weg: zie inmiddels deel twee
    conclusie: ome ko geeft niet af.
    koyaanisqatsi: goed zo!

    thnks
  • aquaangel
    deel I van de hoeveel..........we zijn weer van de partij :))

    maar of God ons hoort?

    wel lang weer hoor deze aflevering, maak er gewoon een halve aflevering van.

    morgen dan deel 1 1/2 ??

    :D
    koyaanisqatsi: euh... het betreft 11 hoofdstukken...
  • ivo
    ik ben benieuwd wat je hier allemaal van gaat maken
    koyaanisqatsi: geen pudding in alle geval...

    thnks
  • Ghislaine
    Prima en vlotjes neergeschreven.
    koyaanisqatsi: dank u
  • Theo_Roosen
    Als een razende over het klavier gevlogen ? Prachtig geschreven. Ben al benieuwd voor het vervolg. Misschien iets te lang ?
    koyaanisqatsi: tja, een hoofdstuk blijft een hoofdstuk, vrees ik...

    thnks
  • RolandBergeys
    Ja, sluit me aan bij Aqua en Thro, iets te lang om op een scherm te lezen. Toch gedaan, en leuk bevonden, maar het vergt wel een inspanning desondanks. En ps: nu zit je met een mix van m'n en mijn...
    koyaanisqatsi: dan heb ik verzuimd alle m'n's eruit te gooien
  • Vansion
    Voila, eentje dat ik volgen zal. Dat zegt genoeg zeker?
    koyaanisqatsi: thnks
Er zijn 9 bezoekers online, waarvan 0 leden: .