writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (2)

door koyaanisqatsi

2. DE PELIKANEN

Ik was al ingedommeld toen Mwamba Kazadi me opbelde. Hij verontschuldigde zich nogmaals voor zijn plotse vertrek en bracht me ervan op de hoogte dat ik de volgende ochtend om negen uur op het kabinet van de Minister van Cultuur werd verwacht.
'Ik stel voor u op te halen om half acht,' besloot hij, 'want in de ochtenddrukte is op tijd komen geen vanzelfsprekendheid.'
Ik sliep een redelijk diepe slaap en droomde een gekke droom over meisjes die in slingerapen veranderden en me met hun lange staarten gegijzeld hielden; tot mijn reiswekker me bevrijdde. Ik nam een kortstondige, lauwe douche en begaf me naar de eetzaal.
Het ontbijt was eenvoudig maar lekker: een glaasje vers mangosap, een kopje thee en drie croissants. De kelners waren stil maar vriendelijk. Tegenover mij zat een blanke vrouw met een enorme zonnebril op haar neus. Ze stak geen vinger naar haar ontbijt uit maar bestelde om de haverklap verse koffie. Ik wilde haar wel een goeie morgen wensen maar door haar zonnebril had ik geen flauw idee van het gedrag van haar ogen. Zo te zien zat ze een dik boek te lezen, maar voor hetzelfde geld staarde ze me al de hele tijd aan.
Pas toen ik op het punt stond te vertrekken, kwamen er nog gasten binnen: drie mannen in hemd en stropdas die me in tegenstelling tot de vrouw meteen gedag knikten. Ze spraken beurtelings Engels en Zweeds, schoven kopjes, tassen, messen en vorken naar een hoek van de tafel en ontvouwden een kaart van Afrika. Ze gaven aanwijzingen en deden suggesties alsof ze het continent als een verjaardagstaart onder mekaar wilden verdelen.
In de hal van het hotel heerste een enorme drukte, veroorzaakt door zakenlui, militairen en luxehoeren. Iedereen veranderde om de haverklap van gesprekspartner. In tegenspraak met wat hij had beweerd, was de piccolo nog steeds aanwezig. Hij liep zigzaggend langs iedereen heen en legde zonder scrupules hier en daar een oor te luisteren. Niemand leek aanstoot aan zijn gedrag te nemen.
'Meneer Kaduwel?'
Een receptioniste, net zo aantrekkelijk als haar voorgangster Pelagie, maar wel kleiner en een tikje minder gracieus, boog over de balie en bleef me vragend aanstaren.
'Klainenduvel,' verbeterde ik met een geforceerde glimlach.
'Euh, telefoon voor u.'
Het was de uitgever.
'Emil?!'
'Ja?'
'Wat heb ik gehoord?! We hebben pech?!'
'Het ziet er zo naar uit...'
'Mmmm...'
'Ik ben ontboden op het Ministerie van Cultuur. Ik veronderstel dat ze me daar wel zullen zeggen hoe het nu verder moet.'
'Mmmm. In ieder geval, Emil, teken niets voor je met mij hebt overlegd! Ik ken die lui daar zo'n beetje: ze belazeren je terwijl je erbij staat! Waarschijnlijk is het gewoon een kwestie van centen! Maar zeg hen maar dat je baas niet van plan is met een smak geld over te brug te komen! De Bevordering van de Verspreiding van de Cosmopolitische Gedachte is niet voor commercieel gekonkelfoes vatbaar!'
De verbinding werd verbroken. Ik vroeg me niet eens af wie de uitgever van de problemen op de hoogte had gebracht. Waarom zou ik ook? Ik was een vertegenwoordiger die bij wijze van uitzondering werd betaald om een tent op te stellen; alles wat daar rond hing of gebeurde, was mijn zaak niet.
Mwamba Kazadi kwam om klokslag half acht het hotel binnengewandeld.
'Op tijd op z'n Zwitsers,' lachte hij fier, terwijl zijn rechterwijsvinger op zijn polshorloge tikte. 'We kunnen maar beter meteen vertrekken.'
Mamadou wuifde me gedag.
'Hallo, Mamadou, hoe gaat het met je?' vroeg ik.
Mamadou knikte en stak een duim op.
We zaten meteen in de ochtenddrukte. Auto's en vrachtwagens wrongen zich langs weerszijden de nauwe straten in. De stank van de uitlaatgassen mengde zich met de hitte van de tropische ochtendzon. Uit een gettoblaster klonk oorverdovende Afrikaanse muziek; de zanger overstemde zichzelf.
Het Ministerie van Cultuur lag in wat men de Diplomatieke Zone noemde. Een residentiële wijk die eerder op het oude centrum van Zuideuropese provinciestad leek. Hier niets van de typische Afrikaanse chaos die een gevoel van ongedwongenheid opwekte, maar keurig schoongeveegde straten, omzoomd met grasperken en bloementapijten.
We stopten bij een gesloten hek waar twee agenten de wacht hielden. De ene leunde met zijn rug tegen een muurtje, de andere rolde een sigaret. Achter het hek lag een prachtige tuin met een grote vijver vol pelikanen. Een oude man probeerde tevergeefs de vogels met een vliegenmepper te verjagen. Als er al een pelikaan opschrikte, vloog hij even op, om seconden later weer op het water neer te strijken.
Op het bordes van een schitterend huis in koloniale stijl stond een jonge meid te strijken. Een klein meisje doorsnuffelde nieuwsgierig het wasgoed in de mand naast de strijkplank.
Mwamba Kazadi stapte uit en sprak de agenten aan. De agent die tegen het muurtje leunde haalde zijn schouders op, zijn kompaan werkte onverstoord verder aan zijn sigaretje. Ik stak mijn hoofd uit het raam en vroeg wat er scheelde.
'Ik weet het niet,' zei Mwamba Kazadi. 'Ze weigeren me te antwoorden.'
'Worden we niet voor betaald,' mompelde de agent die tegen het muurtje leunde.
Een kleine man in maatpak kwam het huis uitgelopen, zei iets tegen de meid en kwam ons tegemoet. Hij beval de agenten het hek te openen, maar we moesten wachten tot de ene agent zijn sigaretje had opgestoken voor we werden binnengelaten. Mamadou moest om veiligheidsredenen met de landrover bij het hek achterblijven.
'Kapitein Zeppos?' vroeg de man, terwijl hij zijn hand naar me uitstak.
'Nee,' antwoordde ik verbaasd. 'Emil Klainenduvel, van het Magazine ter Bevordering van de Verspreiding van de Cosmopolitische Gedachte.'
De man deinsde achteruit, trok de knoop van zijn stropdas wat losser, haalde een zakdoek boven en begon het zweet, dat van het ene ogenblik op het andere uit zijn lijf begon te gutsen, van zijn gezicht en hals te vegen.
'U bent dus niet... Kapitein Zeppos...'
'Nee.'
'Tja...'
'Meneer Klainenduvel komt in verband met het plaatsen van de tent,' kwam Mwamba Kazadi ter hulp.
'Ooooooh!!' zei de man terwijl zijn gezicht begon te stralen van opluchting. 'Dat maakt het één en ander duidelijk, én... de dingen beslist eenvoudiger. Natuurlijk, natuurlijk. De mensen van het Ministerie van Cultuur verwachten u. Jozef!'
De oude man draaide zich van de pelikanen weg en kwam naar ons toe gesloft.
'Ja, meneer...'
'Jozef, wil je zo vriendelijk zijn deze heren naar het Ministerie van Cultuur te begeleiden.'
'Maar... En de pelikanen?'
'Die kunnen wachten.'
'Maar... Waar moet ik dan met mijn vliegenmepper blijven?'
'Geef hier,' zuchtte de man in het maatpak. Hij rukte de vliegenmepper uit de knokige handen van de oude man en stak hem onder zijn arm.
Mijn veronderstelling dat het koloniale huis de thuisbasis van het Ministerie van Cultuur was, bleek onjuist. De oude man troonde ons mee naar een plek achter het huis, waar de tuin in tropische wildgroei ontaardde. Daar, ergens middenin, stond een houten barak waarvan de deur scheef en los in haar hengsels zat.
'Gaat u gerust binnen,' zei de man, 'Mevrouw Mpele geeft niet om etiquette.'
'Is dit het Ministerie van Cultuur?' vroeg ik stomverbaasd.
Mwamba Kazadi maande me met een duwtje in de rug tot zwijgen aan.
'Pas op wat u zegt, meneer,' fluisterde hij nauwelijks hoorbaar. 'Deze man is het hoofd van de Geheime Dienst.'
Ik keek Mwamba Kazadi ongelovig aan maar las in zijn ogen dat hij het meende. De oude man wees op het koloniale huis dat nu als een grote schaduw achter ons lag en zei: 'Dat is het Ministerie van Landsverdediging, meneer. Dit is het Ministerie van Cultuur.'
'U bent van harte bedankt ons tot hier te brengen,' zei ik met een lichte buiging. De oude man gaf een hoofdknikje en zei terwijl hij wegliep, op een enigszins verontschuldigende toon: 'De pelikanen...'
Toen hij ver genoeg van ons verwijderd was, zei Mwamba Kazadi, voor alle zekerheid opnieuw fluisterend: 'Die man heeft macht, meneer Klainenduvel. Véél macht. Daarom is het maar beter hem niet voor het hoofd te stoten.'
Mwamba Kazadi klopte zachtjes op de deur. Er kwam geen antwoord. Ik stak mijn hoofd in de duisternis van de deuropening en zag in het donker de vage contouren van twee stoelen en een tafeltje.
'Hallo, is daar iemand!?' riep ik, het tegendeel vermoedend.
Twee vliegen vlogen naar buiten en zoemden uit protest om het verstoren van hun rust tergend dicht langs mijn oren.
'Kunnen we binnen wachten?'
Mwamba Kazadi knikte: 'Het Ministerie van Cultuur is het kwaadste nog niet'
Hij ging me voor, de duisternis in, en schoof een stoel naar me toe. Op het tafeltje stond een schoteltje met een half opgebrande kaars.
'Ik zal lucifers halen,' zei Mwamba Kazadi.
Er kwamen opnieuw enkele vliegen op me af. Ik gromde: 'Vervelende rotbeesten!' en wuifde hen weg, maar ze bleven terugkomen met een koppigheid die ze zelf waarschijnlijk domweg als 'doodsverachting' beschouwden.
Een plots opstekende wind begon met de deur te spelen. Het verbaasde me dat ze niet uit haar hengsels donderde.
'Meneer Klainenduvel!'
Het was de stem van Mwamba Kazadi. Ik stond recht en liep naar buiten.
'Meneer Klainenduvel,' herhaalde mijn gids, terwijl hij haastig op me kwam toegelopen. 'Kom vlug. Er staan mensen bij het hek die u willen zien.'
'Wie dan wel?'
'Gewone mensen; mensen uit het volk. Mensen met net zo eenvoudige als eerlijke verlangens.'
De strijkende meid en het kleine meisje waren verdwenen, Jozef, het hoofd van de geheime dienst, trachtte nog steeds pelikanen te verjagen, de man in het maatpak sloeg hem met gekruiste armen en uitgestreken gezicht gade.
Bij het hek hadden zich inderdaad mensen verzameld. Nieuwsgierig naar hetgeen zich in de tuin afspeelde, trachtten ze over mekaars hoofden te kijken.
'Hij is er! Hij is er!' riep iemand. Meteen schoten een tiental handen in de lucht. Ze begonnen te zwaaien met pen en papier en werden begeleid door smekende stemmen.
'Meneer, een handtekening... Meneer, alsjeblief meneer, een handtekening! Alsjeblief!'
De politieagenten bij het hek spreidden stoer de armen en begonnen te roepen: 'Niemand mag door! Verboden toegang! Niemand mag door! Verboden toegang!' Een net zo onnodige als belachelijke houding, want niemand maakte aanstalten het hek te bestormen. Iedereen bleef, weliswaar nerveus, gedisciplineerd wachten tot ik het hek had bereikt.
'Een handtekening, meneer! Van u, de man die de tent komt opstellen!'
Ik wilde deze mensen best geven wat ze wilden, maar begreep niet waar ze hun verlangen vandaan haalden. Kwam daar nog bij dat de agenten weigerden het hek te openen en het de mensen niet werd toegelaten pen en papier tussen het traliewerk te steken, tenzij ze bereid waren een onbetaalbaar bedrag aan smeergeld neer te tellen.
De discussie die zich door dit laatste ontspon werd gesmoord door de typische logica van de corrupte ambtenaar: 'Aan ons dichtgeknepen oog zitten grote risico's verbonden. Daar mag dus wel wat voor in de plaats staan.'
Ondertussen zwelde het groepje mensen aan tot een heuse menigte. Spoedig was de hele straat geblokkeerd en zorgden toeterende auto's voor een nog grotere volkstoeloop.
'Uw aanwezigheid gaat van mond tot mond,' beweerde Mwamba Kazadi, niet zonder enige trots, maar ikzelf was ervan overtuigd dat de meerderheid van de laatste toevloed louter uit nieuwsgierigheid op het kabaal was afgekomen.
'Hoe dan ook,' zei ik, 'ik sta volkomen machteloos. De agenten laten me niet buiten, de mensen mogen niet binnen, en het is niet toegelaten pen en papier tussen de tralies door te geven. Ik kan dus maar beter terug naar het Ministerie van Cultuur gaan. Tenslotte word ik daar verwacht.'
'Ik denk het ook,' knikte Mwamba Kazadi.
Van zodra ik me terug op weg begaf, kwam de man in het maatpak opnieuw op me toegelopen.
'Kapitein Zeppos?'
Ik keek de man stomverbaasd aan.
'Nee?'
'Nee, meneer!' zei ik. 'Herkent u me dan niet?'
Zijn mond viel open, zweetdruppels begonnen over zijn gezicht te parelen.
'Meneer Klainenduvel,' kwam Mwamba Kazadi opnieuw ter hulp. 'De man die...'
'Och ja, natuurlijk!' zei de man, terwijl hij zich hard op het voorhoofd sloeg. 'Natuurlijk! Natuurlijk! Hoe kon ik zo dom zijn? Natuurlijk. Jozef!'
'Laat maar zitten,' zei ik. 'We weten de weg.'
De man met het maatpak keek me onbegrijpend aan, richtte een vragende blik op Mwamba Kazadi, haalde zijn schouders op en riep naar de oude man, die net aanstalte maakte om de vijver de rug toe te keren: 'De pelikanen!'

 

feedback van andere lezers

  • ivo
    herkenbaar mooi
    koyaanisqatsi: thnks
  • ERWEE
    't Is ook overal iets met al die ministeries.
    En die vliegen.
    koyaanisqatsi: ja, om nog te zwijgen van de... prinsen...
  • Theo_Roosen
    Lang maar boeiend en mooi. Verveeld geen minuut.
    koyaanisqatsi: thnks
  • gono
    Goed!
    koyaanisqatsi: thnks
  • RolandBergeys
    -ik stel voor dat ik u ophaal klinkt natuurlijker, denk ik;


    Leuk wederom Koya, vlot, boeiend.
    koyaanisqatsi: thnks
  • Vansion
    onbedaarlijk sardonisch gelach aan deze kant van de lijn
    verplichte lectuur moest dit zijn
    Die ko- in je nick komt vast en zeker van "cultuur"

    koyaanisqatsi: thnks V...
Er zijn 7 bezoekers online, waarvan 0 leden: .