writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (8)

door koyaanisqatsi

8. (DE TERUGKEER VAN BOBA LOBILO) - DE ANTILOPEN

Aanhoudende regen herschiep de straten van de hoofdstad van de Derde Afrikaanse Republiek in een oneindige reeks plassen en modderpoelen. Terwijl de malariamuggen zich aan hoog tempo vermenigvuldigden, verloren de mensen een deel van hun aangeboren vrolijkheid. Op straat was iedereen het voor één keer volkomen eens: een tent was nuttiger dan een wielerwedstrijd.
Niettegenstaande werd de wielerwedstrijd een onuitputtelijke bron van opportunisme. Drankverkopers liepen rond met plannen om extra drank in te slaan en op de dag van de wedstrijd de prijs per fles te verdubbelen. Een vrouwengek wilde een Miss Wielerwedstrijd organiseren. Kinderen rekenden op snoepgoed, daklozen op behuizing, zieken op medicijnen, venters op een stijgende verkoop, gidsen op een toevloed van toeristen, hotelpersoneel op extra tips, oude vrijsters op een echtgenoot, vrijgezellen op een niet al te veeleisende vrouw. Militairen begonnen luidop te dromen van bevordering, werklozen van werk, rijken van nog meer fortuin, wezen van ouders. De dag van de wielerwedstrijd werd de dag van de grote hoop. Het was pecies zoals een gelegenheidspoëet het beschreef: 'Misschien zal op de dag van de wielerwedstrijd het aanzien van ons land veranderen, zoals de zon anders schijnt na een totale eclips.'
De nood aan een positief toekomstbeeld hing als het ware in de lucht, onheilsprofeten konden maar beter hun mond houden. Ze leken trouwens al op voorhand ongelijk te krijgen, want een eerste blijde gebeurtenis werd een feit: Boba Lobilo keerde terug van weggeweest. Zo opeens, alsof hij uit de hemel kwam gevallen, stond hij weer in de straat waar hij woonde. De bewoners van het Rijk van Leopold onthaalden hem enthousiast en begonnen hem meteen met vragen te bestoken.
'Laat me gewoon mijn verhaal doen,' trachtte hij hun opwinding tot bedaren te brengen. Hij ging op zoek naar een zitje, vond een houten krat, zette zich neer en begon te vertellen.
'Ik bleef maar piekeren over de wielerwedstrijd; zo erg zelfs dat ik er tijd en ruimte door vergat. Ik liep dwars door de nacht een vreemde ochtend tegemoet en kwam terecht in een ander land, een gebied zo groot dat het je alleen maar kan vervullen met angst voor het oneindige. Eerst dacht ik: "Wat een woestijn: geen sprietje gras." Maar ik vergiste me, want toen ik verder stapte ontdekte hier en daar kleine grasduinen die dapper de verzengende hitte trotseerden. En dat gaf me moed om door te gaan. Ik wist plots weer dat er aan alles een eind moest komen en dus ook aan dit immense land, waar het leven ongenadig hard en eenzaam moest zijn. Ik stapte flink door, vertraagde wanneer mijn kuitspieren stram werden maar ging nooit zitten om te rusten.
Na enkele uren zag ik aan de horizon een stip verschijnen die handig van pas kwam als richtpunt. Pas toen ik ze tot op een armlengte was genaderd, merkte ik dat het een man op een stoel betrof. De man zag er vermoeid uit, zijn huid was droog en gerimpeld door urenlang in de zon te zitten. En... hij was sjofel gekleed. Een versleten, roodwit geruiten hemd hing flodderend over zijn spijkerbroek en aan zijn voeten droeg hij plastieken sandalen. Hij leek me te negeren maar toen ik hem op de schouder tikte, reageerde hij erg vriendelijk.
"Dag, meneer," zei hij, "aangenaam u hier te zien. Van harte welkom"
Hij schudde me een stevige hand, ging in het half afgescheurde borstzakje van zijn hemd en gaf me een bankbiljet van een munteenheid die me onbekend was.
"Voor eten," knipoogde hij.
"Mag ik vragen wat u hier doet?" vroeg ik hem.
"Ik wacht op werk,' antwoordde hij.
"Op werk?" zei ik.
"Ja." Hij glimlachte stralend, alsof er een afgrijselijk groot fortuin binnen zijn handbereik lag.
Ik kon het niet helpen mijn wenkbrauwen te fronsen en in het rond te kijken. Het lag beslist niet in mijn bedoeling de brave man te beledigen, maar dit was al te gek: zo ver het oog reikte was er niks, maar dan ook niks te zien.
"Werk?" vroeg ik. "Wat voor welk mag dat wel wezen?"
"Dat weet ik ook niet," antwoordde de man. "Dat zou u aan mijn baas moeten vragen."
"Uw baas?" trok ik nogmaals mijn wenkbrauwen op.
Toen werd de man eindelijk wat spraakzamer.
"Ik was al jarenlang op zoek naar werk toen ik mijn baas tegen het lijf liep. Het is te zeggen: toen ik de man tegenkwam die nu ik nu mijn baas mag noemen. Ik herinner het me nog alsof het gisteren was; misschien was het gisteren wel, want door hier vol verwachting te zitten wachten, heeft de tijd alle belang voor me verloren. Ik liep mijn baas dus tegen het lijf: een charmante man in een wit pak, met een dun sigaartje als een gekko aan zijn onderlip klevend. Hij sprak me aan in het Spaans en toen ik hem duidelijk maakte geen Spaans te spreken, begon hij te lachen.
'Geen enkel probleem,' zei hij. 'Zelfs al zal binnen enkele decennia de meerderheid van bevolking van de Verenigde Staten Spaanstalig zijn... Dàt is geen enkel probleem.'
Ik had zo'n voorgevoel dat deze man op zoek was naar werkkrachten en dus vroeg ik hem of hij geen baantje voor me had.
'Een baantje?' begon hij weer te lachen. 'Maar natuurlijk heb ik een baantje voor je, mijn beste.'
Toen haalde hij vanachter zijn rug een stoel tevoorschijn -wat werkelijk knap gedaan was, want voordien had ik niks van die stoel gemerkt. Ik moest maar rustig gaan zitten, zei hij, in afwachting van mijn eerste opdracht. En dus deed ik dat maar."
"Nou, goed voor u," zei ik tegen de man. Ik wenste hem succes en vervolgde mijn weg. Het werd opnieuw avond, opnieuw nacht en opnieuw ochtend; precies zoals de natuur het heeft voorgeschreven.
Maar toen sloeg het systeem op hol. Op de ochtend volgde een nieuwe ochtend, op de ochtend een nacht, op de nacht een namiddag en zo ging het maar door. Vreemd was ook dat hoe langer ik liep, hoe minder vermoeid ik werd, terwijl mijn baard sterker dan ooit begon te groeien.'
'Leugenaar!' onderbrak een stem. Het was Ernest, de anarchist, die zich van tussen de toehoorders een weg naar voor baande. 'Je wangen zijn zo glad als de huid van een baby!'
'Laat me verder vertellen,' zuchtte Boba Lobilo.
'Ja, zeveraar,' snauwde iemand de anarchist toe. 'Laat de wijkverantwoordelijke zijn verhaal afmaken.'
'Heb jij nergens een revolutie te organiseren!?' riep een stem smalend.
'Jullie zullen je waarschijnlijk wel afvragen wat ik at en dronk,' vervolgde Boba Lobilo, maar op die vraag moet ik jullie het antwoord schuldig blijven. Soms werd ik me er opeens van bewust dat ik op iets kauwde of bezig was een vloeistof door te slikken, maar daar bleef het bij. Ik weet alleen dat ik nooit het gevoel had met een lege maag rond te lopen en ook een droge keel is me al die tijd onbekend gebleven.
Maar ik dwaal af. Tijdens een nacht die donkerder was dan eendere welke duisternis werd mijn aandacht getrokken door een groot kampvuur. Ik liep er meteen op af, maar het bleek zo ver van me verwijderd dat het alweer licht was toen ik het bereikte en er niet veel meer van overbleef dan een hoopje smeulende as. Tijd om ontgoocheld te zijn kreeg ik evenwel niet. Even verderop was een grijsaard in een blauwe overall bezig een lange stoelenrij op te stellen. Op de eerste stoelen -ik denk dat het er een stuk of tien waren- zaten skeletten die me zonder uitzondering deden denken aan de man op de stoel. Ze zaten in exact dezelfde houding als hij en leken net zo gehoorzaam en geduldig op een baantje te wachten. En... ze waren ook sjofel gekleed.
De grijsaard haalde zijn stoelen van een stoelenberg die de omvang had van een enorme termietenheuvel. Waar de skeletten vandaan kwamen was me een raadsel.
Toen ik de grijsaard met het respect dat een oude man toekomt begroette, werd hij boos.
"Kereltje! gromde hij. "Jij hoeft niet uit de hoogte te doen tegen mij. Je respect is misplaatst. Ik ben hoogstens enkele maanden ouder dan jij."
Eerst moest ik daar nog smakelijk om lachen, maar toen hij zijn paspoort bovenhaalde was het gedaan met de pret. Hij wàs niet eens ouder dan ik: hij was zelfs jonger! Acht maanden en drie dagen om precies te zijn!
"Mijn excuses,' huilde ik bijna. "Ik dacht... U ziet..."
"Het is allang goed," wuifde hij mijn veronschuldigingen weg, "ik zie er niet bepaald jong uit. Ik begrijp het wel."
Natuurlijk wilde ik mijn blunder op één of andere manier goedmaken. Ik vroeg of ik hem een plezier kon doen door een handje toe te steken, maar hij weigerde.
"Dat is ten strengste verboden,' zei hij. "Of heeft u soms een vergunning?"
"Een vergunning?" vroeg ik.
"Een vergunning om hier te mogen werken," antwoordde hij met een diepe zucht, alsof het lot hem met het gezelschap van een volslagen idioot had opgezadeld.
"Ik weet niet eens waar hier is," zuchtte ik op mijn beurt.
"Tja," schudde hij het hoofd, "dan is de discussie natuurlijk al op voorhand gesloten."
Ik begon verloren in het rond te draaien, zoekend naar de juiste woorden om afscheid te nemen toen de grijsaard eensklaps een wijsvinger uitstak.
'Daar! Daar!' zei hij. 'Antilopen, zoals je er nog nooit hebt gezien.'
Mijn ogen zochten gehoorzaam de richting op die hij aanwees. Maar ik zag niets: zowel de vlakte als de horizon waren totaal verlaten.
'Deze man hallucineert,' dacht ik, maar mijn gedachten waren nog maar pas in woorden gegoten of een kudde antilopen stormde langs alle kanten voorbij. Hun zwarte ogen stonden bol van levenskracht, hun aantal was ontelbaar. Hun horens waren vlijmscherp en schitterden in de zon als zilveren messen. Het stof dat ze veroorzaakten bleef als bij wonder laag tegen de grond hangen, als een dik, wollig tapijt. Het was onmogelijk uit te maken welke richting ze uitgingen. Ze waren overal, liepen kriskras langs elkaar heen en leken zowel op ons af te komen als van ons weg te vluchten. En toch gebeurde alles geordend, volgens een onbuigzame natuurwet die zei dat alles was zoals het moest zijn.
Toen in de verte een moëdzzin opriep voor het avondgebed verdwenen de antilopen in een oogwenk. De stem van de moëdzzin stierf weg in zijn eigen echo, het begon te schemeren en het werd aangenaam koel; er stak een bries op die de geur van kokosmelk met zich meevoerde en de zon ging onder als een vuurbal van fel oranje. Het was de prachtigste zonsondergang die ik ooit heb gezien. Maar... het werd niet donker; de schemering bleef als een opgelaten vlieger in de hemel hangen. Ik wierp een blik op de skeletten en zag dat hun aantal was toegenomen. De stoelenrij was nu voor ongeveer de helft bezet.
"Waar komen die skeletten eigenlijk vandaan?" vroeg ik aan de grijsaard.
"Ik weet het niet," antwoordde hij, als in gedachten verzonken voor zich uit starend. 'Ze komen altijd op ogenblikken dat mijn aandacht is afgeleid. Zoals daarnet, met die antilopen. Volgens mij zijn het wachters."
"Wachters?"
De grijsaard knikte. "Bewakers van één of ander geheim. Afijn, ik weet het niet. Maar wat kunnen ze anders zijn, dan wachters?"
"Wachtendèn?" stelde ik voor, met de man op de stoel in mijn gedachten.
"Zou ook kunnen," zei de grijsaard. "Maar nu moet ik gaan. Mijn tijd zit er allang op. Waren die antilopen niet langsgeweest, dan lag ik nu waarschijnlijk al in bed."
Ik vroeg of ik hem mocht vergezellen, maar hij zei dat daar geen sprake van kon zijn.
"Waar ik naar toe ga, kan jij me niet volgen."
Ik wilde hem vragen wat zijn bestemming dan wel mocht zijn, maar plots zat hij als een piepklein mannetje in mijn hoofd.
"Hé, ellendeling!" riep ik in paniek, "wil je daar wel eens uit komen!"
De grijsaard reageerde niet. Hij spurtte met de snelheid van een atleet naar het middelpunt van mijn hersens en loste op in het niets. De skeletten applaudiseerden heel kort, grijnsden me toe en hernamen hun gedisciplineerde houding. Ik kon weinig meer doen dan mijn weg vervolgen.
Mijn eenzaamheid maakte de dagen ontzettend lang. Drie opeenvolgende nachten werden slechts onderbroken door een kortstondige schemering; ze hadden alle drie een volle maan. Toen volgde er een bloedhete ochtend waarop er een hyena op me afkwam. En laat het geweten zijn: het is een fabeltje dat hyena's je met rust laten wanneer je gestalte de hunne overtreft. Niet dat ik werd aangevallen of zo, maar het beest bleef in tergend kleine cirkeltjes rond me lopen, tot ik er haast gek van werd. Ik wilde hem wel schoppen, of trachten hem met zand of kiezels te verjagen, maar omdat zijn reactie onvoorspelbaar was, deed ik niets. Mijn geduld was bijna ten einde toen hij het op een lopen zette en ik had me nog maar net afgevraagd waaraan ik deze plotse verlossing te danken had toen ik werd ingehaald door een kerel op een fiets. Buiten adem vroeg hij me of ik wat van auto's afwist. Ik antwoordde hem van niet, maar toch drong hij aan hem te volgen.
"Mijn meesteres zal razend zijn," beweerde hij, "als ik alleen terugkom. Haar bevel was uitdrukkelijk: ik mocht niet terugkeren voor ik iemand had gevonden die verstand had van auto's. Maar u moet weten, meneer: ik leef al enige tijd in de overtuiging in het rond te rijden. Mijn verstand vertelt me dat ik ieder gevoel voor oriëntatie kwijt ben."
"Hoe ga je dan je weg terugvinden naar je meesteres?" vroeg ik.
"Dat is eenvoudig: ik ga gewoon af op haar lichaamsgeur. Ze baadt zich iedere dag in een mysterieus parfum, een parfum dat alleen haar lichaam kan verdragen."
"Ik ruik niks," merkte ik ongelovig op.
"Natuurlijk niet," zei de man lichtjes geïrriteerd, "de geur is u onbekend."
Ik probeerde het op een akkoordje te gooien.
"Luister," zei ik. "Ik zal met je meegaan om voor je meesteres te getuigen dat je je uiterste best hebt gedaan. In ruil daarvoor moet je van haar wel een plan met een uitweg uit dit vreemde land lospeuteren."
"Dat kan geen probleem zijn," beweerde hij, "want mijn meesteres weet haar weg naar alle windstreken.
De man bood me aan op de bagagedrager te gaan zitten, maar door mijn gewicht kwamen we op die manier trager vooruit dan te voet. Met zijn neus in de lucht trokken we in een boog rond mierennesten, termietenheuvels en verraderlijke kuilen tot we bij een limousine kwamen die klem zat in het zand. Twee mannen in legeruniform leunden met een ergerlijke onverschilligheid tegen het koetswerk. Ze hielden hun ogen verborgen achter de pikzwarte glazen van een kitcherige zonnebril.
"Wij zijn geen militairen," zei één van hen, maar alleen al de manier waarop hij het zei, bevestigde het tegendeel.
"U kent wat van auto's?" vroeg zijn compaan.
"Nee," antwoordde ik in alle eerlijkheid. "Ik kwam slechts mee, om uw meesteres ervan te overtuigen dat haar dienaar zijn uiterste best heeft gedaan om een mecanicien te vinden."
De militairen begonnen triomfantelijk te grijnzen. Er ging een portier open, een overweldigende, geparfumeerde walm waaide in mijn gezicht. De zon begon pijnlijk fel te branden. Een schitterende vrouw stapte uit. Nou ja, een schitterende... vrouw? In feite was ze onbeschrijfelijk. Ze kwam op me toe, maakte met het puntje van haar tong een sissend geluid tussen de tanden en zei: 'U laat ook niet af, hé? Maar geloof me, het is een maat voor niets. En tracht ook niet me te doorgronden, want dat zal u netzomin lukken. U komt van veel te ver om ooit iets van mijn aard te kunnen begrijpen.'"
Toen werden de bewoners van het Rijk van Leopold gewaar dat Boba Lobilo niet Boba Lobilo was. De man die hen met zijn verhaal als een bloedzuiger aan zijn lippen vastzoog, leek alleen maar op de wijkverantwoordelijke. Niemand had evenwel het lef om deze waarheid ter sprake te brengen. Zelfs Ernest, de anarchist, bleef zwijgen; uit schrik, al maakte hij zichzelf wijs passief te blijven omdat hij een revolutionair complot achter deze verdachte toestand vermoedde.

 

feedback van andere lezers

  • ivo
    het wordt spannend ....
    koyaanisqatsi: euh...
  • RolandBergeys
    -geruit hemd, niet geruiten (denk ik toch);

    -in de overtuiging dat ik rond rijd, neen?

    Ja, het wordt spannend. Beter: het blijft spannend...
    koyaanisqatsi: thnks
  • freke
    aan geuren herkennen, een instinkt dat in onze kudde is verdwenen
    de laatste drie doorworsteld om bij te zijn
    het blijft idd spannend en boeien, kijk it naar de volgende

    groetjes, freke
    koyaanisqatsi: thnks
  • feniks
    Bijzonder verhaal. Knap geschreven.

    Ik weet niet of je ook van poëzie houdt.
    Misschien kan je bij gelegenheid eens één van mijn gedichten lezen en er je mening over geven.
    groeten,
    Feniks
    koyaanisqatsi: ik wil wel eens een poging doen, al moet ik tot mijn grote schande toegeven dat ik om de één of andere onverklaarbare reden geen enkele voeling met noch voor poëzie heb... Heel "onschrijverachtig", maar ik het echt niet helpen...
Er zijn 9 bezoekers online, waarvan 1 lid: Greta.