writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Het Ontstaan van een Imperium

door koyaanisqatsi

'Zeg eens, Speck, hoe lang doe jij nu al precies boodschappen voor ons? Vijf jaar? Tien jaar? Of zijn het er ondertussen al vijftien geworden?'
Willy Speck werd verteerd door twijfels. Zou hij zwijgen of de directeur erop attent maken dat er een wijnrode veeg op de kraag van zijn voor de rest vlekkeloos witte hemd zat? Een veeg die wat kleur betrof te veel weg had van de lipstick van Jettie Spaspekker, het al wat oudere maar nog immer kokette koffiedametje, om toeval te zijn.
Het probleem was dat Speck er geen flauw idee van had hoe de directeur op een opmerking zou reageren. Voor het eerst sinds zijn indiensttreding, acht jaar geleden, moest hij een daadwerkelijk gesprek met de man aanknopen. Al die tijd had hun verbaal contact zich beperkt tot "goeie morgen", "goeie middag" of "goeie avond"; niet bepaald sociaal, maar vanuit hiërarisch standpunt (directeur versus loopjongen) min of meer begrijpelijk te noemen. Misschien zou de directeur opgelucht zijn en Blabber, zijn secretaris, onmiddellijk naar de confectiezaak om de hoek sturen om een nieuw hemd te kopen. Maar voor hetzelfde geld brulde hij Speck in het gezicht dat hij zich niet met andermans zaken -in dit geval: geflikflooi- te bemoeien had.
'Wel, Speck? Hoor je me niet? Spreek toch, jongen! Je zit daar te gapen alsof er stront op mijn hemd zit!'
'Euh acht jaar; acht jaar en drie weken om precies te zijn, meneer Pleskens...'
De directeur knikte, sloeg een fractie van een seconde de ogen neer en legde vervolgens met een uitschietende hand een doosje op zijn bureau.
'Vertel eens, m'n beste: wat zie je hier?'
Speck boog zich voorover en bekeek het doosje met een mengeling van oprechte en geveinsde interesse.
'Euh, een kubusvormig, plastiek doosje, meneer Pleskens...'
'Ja, en...?'
'Met een doorzichtig deksel en een blauwe bodem, met daarop een flinterdun laagje watten...'
'En?!'
'En... precies in het midden... een... spikkeltje...?'
De directeur schudde het hoofd. Speck boog zich nog wat verder voorover en begon binnensmonds te sakkeren. Er lag een spikkeltje op het laagje watten, een spikkeltje... Niks meer, niks minder. Hij kon toch moeilijk beweren dat er bijvoorbeeld een diamant of een gouden ring in het doosje zat, als er niks anders dan een banaal spikkeltje te zien was!
'Wel?'
'Het spijt me ten zeerste, meneer Pleskens, maar...'
De directeur legde Speck met een handgebaar het zwijgen op, duwde zijn stoel naar achter (de wieltjes moesten dringend geolied worden), haakte zijn handen in mekaar, liet zijn vingers luguber kraken, liep naar het raam, begon naar de geüniformeerde schoolmeisjes aan het bushokje aan de overkant van de straat te gluren (maar dat kon Speck niet zien) en zei: 'Speck, dat ding, dat jij uit pure onwetendheid een spikkeltje noemt, is een korreltje. Een korreltje zand om precies te zijn.'
'Oh, ik...'
'Maar niet zomaar een korreltje zand, Speck...'
De directeur liep terug naar zijn stoel (de schoolmeisjes waren op een bus gestapt), ging weer zitten, blies zurige lucht uit zijn neus en zei: 'Dat korreltje, Speck, is als het ware het zaadje waaruit dit bedrijf is ontstaan. Of beter: waaruit dit... imperium is ontstaan. Want zeg nu zelf: Pleskens & Pallpack is geen bedrijf, maar een imperium. Wij produceren alles, verpakken alles en verkopen alles. Overal! Het enige wat we niet doen, is alles consumeren.'
De directeur wierp een steelse, bestuderende blik op zijn loopjongen, probeerde uit te vissen of die in gedachten vreesde dat zijn baas van lotje getikt was, maar kon slechts vaststellen dat Speck met een bijna angstaanjagend geloofwaardige ernst zat te luisteren. Ontroerd door zoveel loontrekkende toewijding vond hij niet meteen de juiste woorden om verder te gaan en vroeg hij of zijn employé soms een whiskietje met hem wilde drinken.
Speck kreeg normaal gezien geen druppel van dat spul door zijn keel. De geur van whisky alleen al maakte hem misselijk. Maar weigeren of om iets anders vragen, leek hem zo onbeleefd dat hij met perfect verborgen tegenzin de uitnodiging accepteerde. Gelukkig toonde de directeur zich van zijn zakelijke kant en vulde hij het voor hem bestemde glas met zoveel ijs dat er van whisky nauwelijks sprake was.
'Maar ik dwaalde af, Speck, ik dwaalde af,' ging de directeur verder. 'Want waar het om het te doen is, is dus dat korreltje zand, dat daar voor jou ligt. Nu, luister goed, beste vriend, want je toekomst hangt volledig af van de manier waarop je de zo meteen in je schoot geworpen opdracht zal volbrengen. Ik zal, ter verduidelijking en om je het belang van de afloop van de onderneming ten volle te doen inzien -én zonder je met overbodige details te vervelen ( ! )-, de geschiedenis van dit kleinood vertellen.
Precies honderd jaar geleden zat mijn overgrootvader, Semijns Pleskens, op het strand van een ondertussen tot walgelijk mondaine badplaats uitgegroeid visserdorp. Hij zat daar niet alleen en niet zonder reden. Neen. Hij was in het gezelschap van zijn stiekeme liefde, Marie-Thérése Pallpack. Een stiekeme liefde, jawel; om de heel eenvoudige reden dat Marie-Thérése Pallpack niemand minder was dan de dochter van zijn werkgever: de net zo bekende als beruchte groot-industrieel Theodoor Archibald Pallpack.
Mijn overgrootvader was, net als jij Speck, een nietige, op ieder ogenblik van de dag door eender wie vervangbare werkmier. Ja, precies: een loopjongen... En begin nu maar niet te denken dat hij een gewiekste fortuinjager was. Oh nee, Speck, het lot, niets dan het lot dreef hem in de armen van de dochter van zijn gefortuneerde broodheer! Want...
Op zekere dag moest mijn overgrootvader een pakje naar het huis van Theodoor Pallpack brengen. Door een misverstand werd hij door de dienstbode, die hem voor een zakenrelatie van Pallpack aanzag, binnengelaten. En daar, door het grootst denkbeeldige toeval, liep hij in de majesteuze inkomhal, de net voor haar dagelijkse paardrit vertrekkende Marie-Thérése tegen het lijf. Het was liefde op het eerste gezicht, Speck. Hun blikken brandden zich in een oogwenk aan mekaar vast; de verliefdheid sloeg hen letterlijk met stomheid, ze hoorden als het ware elkaars harten bonzen, trilden op hun benen, kregen tranen in de ogen en waren ter plekke misschien wel in een absoluut in het openbaar ontoelaatbare verstrengeling gesukkeld als de butler de blunder van de dienstbode niet tijdig had ingezien. Die potige vent -in zijn schamele vrije tijd deed hij aan worstelen- grabbelde mijn overgrootvader bij de kraag en smeet hem stante pede de deur uit.
Marie-Thérése Pallpack was zo verstandig haar gevoelens, al was het maar voor enkele minuten, te onderdrukken. Ze liet mijn totaal uit balans verkerende overgrootvader voldoende tijd om uit het argwanende zicht van de butler te verdwijnen en ging hem dan te paard achterna.
Speck, jongen, dat was het begin van een liefdesrelatie zo vurig, dat ze zelfs een oceaan aan de kook had kunnen brengen. Een liefde die wij, producten van een mentale wegwerpmaatschappij, ons niet eens meer kunnen inbeelden. Theodoor Archibald Pallpack had zelfs een leger van de brutaalste barbaren kunnen inhuren, niets zou die twee tortelduiven uiteen hebben gedreven.
Maar genoeg sentimenteel geleuter! We zaten op het strand; het is te zeggen: mijn overgrootvader en Marie-Thérése Pallpack zaten op het strand. En zoals ik al zei, de grootvader van mijn verwekker, had daar zo zijn reden voor.
De zon stond hoog, de hemel was één rimpelloos tapijt van blauw fluweel, er was nauwelijks wind, de golven dansten vredig. Kortom, Speck, het was een prachtige zomerdag; het ideale ogenblik om de hand van je geliefde te vragen.
Mijn overgrootvader had dagen op voorhand de perfecte woorden uitgesorteerd. Uren aan een stuk had hij ze herhaald en afgerateld als een sutra, tot ze in zijn geheugen zaten vastgebeiteld. Het was nog slechts een kwestie van strategisch wachten, op een laatste bevestiging van wederzijdse liefde, om toe te slaan. En toen Marie-Thérése een zoveelste, allesverterende blik op hem losliet, aarzelde mijn overgrootvader geen seconde langer om het sacrale verzoek over zijn lippen te laten rollen.
"Marie-Thérése,' begon hij, zonder de minste onzekere trilling in zijn nasale stem, 'mijn liefste, wil je met me trouwen?"
Er viel een stilte die zelfs het onophoudende geruis van de aanrollende zee verstomde. Daar waar mijn overgrootvader een onmiddellijke, onomkeerbare instemming had verwacht, gaf Marie-Thérése geen kik. Schaamte viel als een loden blok op hem neer, verpletterde zijn moed, zijn hoop, zijn verlangen, en drukte zijn hoofd letterlijk naar beneden! Hij wist geen blijf met zijn radeloze zelf en vluchtte met zijn ogen in het zand dat hem langs alle kanten omsingelde. Zijn gedachten raakten verstrikt in een chaos van beelden, zo totaal dat het wel leek alsof een verwoestende wervelwind zijn hersens aan flarden blies. Maar toen, Speck, toen gebeurde er iets wonderlijks. Want op het ogenblik dat de zon zich via één bepaald zandkorreltje in zijn huilende ogen weerkaatste, werd de wurgende stilte verbroken door de woorden: "Oh, Semijns, ik vreesde al dat je het nooit zou vragen..."
Hoe hij flikte is altijd een raadsel gebleven, Speck, maar feit is dat Semijns Pleskens het korreltje zand, dat als een toverspiegel het magische moment tot leven had gebracht, met de onaardse koelbloedigheid van een boeddha tussen zijn vingers plukte om het vervolgens in zijn linker oorschelp te deponeren. Daar zou het blijven zitten, als symbolische bewaarder en bewaker van het jawoord, tot hij het 's avonds veilig en wel in een luciferdoosje kon opbergen -van plastiekdoosjes was nog net geen sprake...
Wat volgde waren dagen van heftige turbulentie. Theodoor Archibald Pallpack reageerde op de trouwplannen van zijn dochter zoals verwacht en gevreesd: als een razende tiran. Hij sloeg een complete verzameling Chinees porcelein aan diggelen, verweet zijn echtgenote een lamentabele opvoedster te zijn, dreigde er mee dochterlief aan een psychiater uit te leveren, spuugde alle denkbare scheldwoorden in de richting van mijn overgrootvader en bracht zelfs -al was het maar heel even, in een al te fanatieke opwelling-, de toch wel gevoelige term "castratie" ter sprake.
Maar Marie-Thérése Pallpack hield voet bij stuk. Haar vader kon kiezen: ofwel accepteerde hij Semijns Pleskens als schoonzoon, ofwel verdween zijn dochter met haar hartedief naar de andere kant van de wereld.
Nu, in alle eerlijkheid, Speck: indien er broers of zusters waren geweest, had Marie-Thérése ongetwijfeld kunnen oprotten. Maar nu stond de grote Theodore Pallpack met zijn rug tegen de muur. Door complicaties tijdens de geboorte van Marie-Thérése kon zijn vrouw geen kinderen meer baren en dus was de enige ramp nog groter dan een leeglopende schoonzoon, het gebrek aan een opvolger. De man mocht er niet aan denken zijn levenswerk te zien verzuipen in het geruzie tussen een stel sowieso al niet capabele achterneven en -nichten, en meer dan dat bood zich niet aan als alternatief.
De rest, Speck, is geschiedenis. De geschiedenis van Pleskens & Pallpack.
Maar nu, to the point, Speck, to the point!'
De directeur legde zijn aktentas op zijn bureau, draaide ietwat sukkelend het slot open en haalde een doosje medicijnen tevoorschijn.
'Hier, Speck. Om een onverklaarbare reden heb ik vanochtend per vergissing de betablokkers van mijn echtgenote meegegraaid. Stom-stom-stom van me, maar niks aan te doen. Spring jij dus gauw in je bestelwagen en breng dat spul als de bliksem tot bij haar, voor ze weer één van haar hysterische buien krijgt omdat ze haar pillen niet kan vinden.'
Speck veerde recht, klaar om de medicijnen in ontvangst te nemen en er als een pijl uit een boog vandoor te gaan. Maar de directeur drukte het doosje tegen zijn borst en zei: 'Maar luister nu nog één keer goed, mijn jongen: de kans is miniem -maar ze bestaat en dus heb ik geen andere keus dan je te waarschuwen-, dat je per ongeluk mijn dochter Clara tegen het lijf loopt. Je doet er natuurlijk mee wat je wil, maar als je leven je lief is, hou in dat geval dan maar beter het hoofd koel. Want mijn dochter is... En neem aan dat het voor een vader niet eenvoudig is om zo'n bekentenis af te leggen: een onverbeterlijke, ongeneeslijke, maniakale, nymfomane slet! Niets wat een broek draagt is veilig voor haar. Het zou me zelfs niet verbazen als dat ook moest gelden voor alles wat een rok draagt, maar dat is nu bijzaak. Word je verliefd, so be it, dan kan ik het ook niet helpen. Maar weet, Speck, dat als je met haar in het huwelijksbootje stapt, je binnen de kortste keren horens van hier tot in Timboektoe zal dragen -om nog te zwijgen over de risico's op smerige ziekten die je zal lopen.'
Speck moest even slikken, voelde zijn hoofd door plaatsvervangende schaamte opwarmen en zei: 'Meneer Pleskens, daar hoeft u zich echt geen zorgen over te maken. Ik ben, als het op gevoelige zaken van intieme aard aankomt, altijd extreem terughoudend.'
De directeur knikte goedkeurend, reikte Speck het doosje betablokkers aan en zei: 'Ik wist dat ik op je kon rekenen, Speck, ik wist dat ik op je kon rekenen. Je bent een jongen uit één stuk; een jongen die denkt met zijn hersens en niet met zijn... euh... hart.
Speck naam het doosje aan, maakte een bescheiden hoofdbuiging en verliet het kantoor. De directeur stond opnieuw recht en liep weer naar het raam. Aan het bushokje had zich een nieuw groepje schoolmeisjes gevormd. Eén van hen, een vroegrijpe mesties, had een opvallend weelderige boezem die bijna letterlijk uit haar witte blouse barstte.
'Daar zou ik wat graag aan lebberen,' mompelde de directeur tegen zichzelf.
Toen werd er op de deur geklopt en kwam Blabber, de secretaris, binnen.
'En, meneer Pleskens, heeft hij uw verhaal geslikt?'
''t Ging erin als zoetekoek, Blabber,' antwoordde de directeur, zonder zijn ogen van het schoolmeisje af te wenden. 'Nu, fier ben ik er zeker niet op: mijn dochter afschilderen als een hoer... Maar ja, één loopjongen in de familie is meer dan genoeg zou ik zeggen. Stel je voor dat mijn bedrijf binnen pakweg twintig jaar Speck, Pleskens & Pallpack zou heten. De gedachte alleen al...'
Blabber grijnsde, legde een dossier op de directeur zijn bureau en maakte zich uit de voeten. De directeur bleef naar het schoolmeisje gapen tot ze op een bus stapte en ging pas dan opnieuw zitten. Hij legde het doosje met het korreltje zand voorzichtig in zijn bureaulade, naast de foto van zijn overgrootvader zaliger die zijn laatst aangekochte blotemeisjesboekje moest camoufleren, nam vervolgens de telefoon op, tikte een verkort nummer in, wachtte met enig ongeduld op de reactie aan de andere kant en zei: 'Jettie, breng me nog eens gauw een kopje koffie alsjeblief...'

 

feedback van andere lezers

  • ivo
    dit verhaal sprak me niet zo aan. Ik apprecieer het werk dat je erin hebt gestoken, maar het verhaal starte niet in mijn geest. Ik heb het volledig gelezen (2 keer zelfs, eerst dacht ik dat het aan mij lag, maar het kon me niet boeien ..) daarom dit is dan ook mijn fb, ik denk dat de wijze van denken in het verhaal me niet heeft aangesproken.
    koyaanisqatsi: en dan toch nog twee keer lezen? heel moedig Ivo...

    thnks
  • miepe
    heel grappig!
    ik dacht een tikfoutje te zien
    (ha, hier heb ik het terug: naam ipv nam in de zeventiende laatste regel. oef, gelukkig niet erboven, zo ergens in het midden. ik zou hebben gezwegen)

    ik vind het echt heel grappig
    koyaanisqatsi: oef... eentje maar...
    thnks
  • miepe
    heel grappig!
    ik dacht een tikfoutje te zien
    (ha, hier heb ik het terug: naam ipv nam in de zeventiende laatste regel. oef, gelukkig niet erboven, zo ergens in het midden. ik zou hebben gezwegen)

    ik vind het echt heel grappig
    koyaanisqatsi: oef... eentje maar...
    thnks
  • miepe
    heel grappig!
    ik dacht een tikfoutje te zien
    (ha, hier heb ik het terug: naam ipv nam in de zeventiende laatste regel. oef, gelukkig niet erboven, zo ergens in het midden. ik zou hebben gezwegen)

    ik vind het echt heel grappig
    koyaanisqatsi: oef... eentje maar...
    thnks
  • miepe
    heel grappig!
    ik dacht een tikfoutje te zien
    (ha, hier heb ik het terug: naam ipv nam in de zeventiende laatste regel. oef, gelukkig niet erboven, zo ergens in het midden. ik zou hebben gezwegen)

    ik vind het echt heel grappig
    koyaanisqatsi: oef... eentje maar...
    thnks
  • Ghislaine
    Niet helemaal je eigenste stijl, maar daarom niet minder vlot en vloeiend geschreven.
    koyaanisqatsi: thnks
  • aquaangel
    ik lees je wel
    maar door griep iets minder aandachtig, concentreren gaat nog met moeite
    xx
    koyaanisqatsi: rustig aan, weledele bedlegerige... de verhaaltjes gaan niet lopen hoor...

    XXX
  • RolandBergeys
    ja, ik vind dit wél jouw stijl, zelfs zonder je naam erboven, denk ik dat ik je zou herkennen; Enfin, da's misschien logisch, na het aantal stukjes dat ik van je gelezen hebt;

    Dit is wederom uitstekend.
    koyaanisqatsi: thnks
Er zijn 5 bezoekers online, waarvan 0 leden: .