writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Kermis

door hope

Op de eerste zonnige lentedag maakte ik een wandeling in het recreatiedomein, dat door de provincie in een oude kleiput was aangelegd met mooie waterpartijen, wandelwegen, sportpleinen en een kindvriendelijke speeltuin. Er was ook een cafetaria en ik zocht een tafel op het terras en genoot in het zonnetje van mijn wijntje, terwijl ik de spelende kinderen gadesloeg. De muziek op de achtergrond intrigeerde mij echter en ik besloot erop af te gaan.
Het was blijkbaar kermis in de wijk en dat moest gehoord worden! De lange straat stond vol kramen en kermis had hier nog echt succes. Talrijk waren de kinderen, die rondjes draaiden op de paardenmolen; de schietkramen waren een uitdaging voor de twaalf-, dertienjarigen; verliefde koppeltjes zochten 'de rups' op en iedereen at vandaag frieten of appelbollen.
Hoewel ik niet eens gemerkt had dat de lucht betrok, vielen er plots regendruppels. De meesten deden dan ook, zoals ik en zochten beschutting in de grote feesttent, die spoedig afgeladen vol zat. Ik zette mij in een hoekje, want het was duidelijk dat ik hier een vreemde eend in de bijt was. Iedereen kende iedereen en 'geen van hier' werd een beetje argwanend bekeken. Toch kwam er een oude man bij mij zitten. Hij bestelde een grote pint en het schuim bleef in zijn snor zitten.
-"Goi zoi ni van hie, hé" begon hij in zijn beste dialect. Ik moest dat toegeven.
"Da ziede drekt" zei hij en hij begon de geschiedenis van de wijk te vertellen.
Het was steeds een geïsoleerd gehucht geweest, afgescheiden van het dorp door diepe kleiputten. De mensen hadden hier alles in de buurt: hun woonst, hun werk, wat winkels, een café, een eigen schooltje en een kerkje. Alles buiten de wijk was voor hen dan ook: de rest van de wereld. Ze leefden met en voor elkaar en dat was eigenlijk nog zo: roddelen waar het kon maar ook mekaar helpen. Er was hier natuurlijk ook wel wat veranderd met die auto's en moderne communicatiemiddelen maar toch behielden de wijkbewoners een eigen identiteit en mentaliteit.
-"Ze noemen mij de filosoof van de wijk" zei mijn tafelgenoot "omdat ik nogal graag de mensen bekijk en er mijne zeg over heb. Ziet ge, Elza, daar?" vroeg hij en hij wees naar een dikke, rode vrouw, die over de tafels heen riep, dat ze de barbecue had gewonnen met de lotjes van de tombola. Daarbij stak ze het grote, ronde gevaarte boven haar hoofd.
"Iedereen kent dat grootlawaai hier", was het commentaar. "Ze trekt een beetje op haren barbecue, vind ik."
Dat had ik zelf niet durven beweren maar kon een lachje toch niet onderdrukken. Ik leerde verder van de dorpsfilosoof dat de mensen er hier geen doekjes omwinden. Recht voor de raap was het devies. "Vindt ge niet dat ze schoon gekleed is?" wou hij nog weten.
Elza droeg een lamé bloes op een te korte wijde rok en ze had sloffen met glitters aan. "Het is toch kermis voor iets", moet ze gedacht hebben, dus al wat blonk, had ze uit de kast gehaald. Haar haren waren slordig en een beha droeg ze blijkbaar ook niet maar de gouddraad en de glitters moesten alles goedmaken. Zij was echter niet alleen zo opgedirkt. Aan het tafeltje naast haar zaten twee vrouwen in ware avondkledij: de oudere droeg een knalrode, gedrapeerde bloes op een bloemenrok en de jongere een lange mauve rok en geassorteerd bovenstukje. "Chic!chic!chic!" moeten ze zich gevonden hebben. Ze zullen waarschijnlijk eerder op het jaar een trouwpartij gehad hebben en "wanneer kunt ge dat anders nog eens aandoen dan met de kermis", hoorde ik ze denken.
Ik viel hier danig uit de toon met mijn wandelkleren aan. Alhoewel, de man aan de toog had ook niet veel moeite gedaan. Hij had zijn overall aangehouden en zette zijn pet niet af, ook al was het behoorlijk warm in de tent en met luide stem riep hij dat hij dorst had.
-"Ze horen hem niet", zei ik tegen mijn buurman naar de dorstige wijzend.
-"Dat is Tuur, die heeft altijd dorst, die laten ze nog wel een tijdje roepen!" was het antwoord. "Hij moet zat zijn vandaag, anders is het voor hem geen kermis geweest. En hij is niet de enige, die zo denkt."
-"Hij heeft anders wel een klok van een stem!" Het geroep enerveerde enigszins en er was hier echt veel lawaai in de tent.
-"Hier hebben ze allemaal een klok van een stem", wist mijn buurman en weer had hij hiervoor een historische uitleg. "In de tijd van de steenbakkerijen was hier gewoon veel lawaai: de baggermolens, de treintjes…de mensen moesten naar mekaar roepen om zich verstaanbaar te maken. Die luide stem blijft nog wel enkele generaties in de genen zitten. Weet ge hoe het er hier vroeger uitzag, hoe de mensen hier leefden?"
Ik had wel eens iets gelezen maar het was duidelijk dat hij mij dat wilde vertellen.
"Hier zag je niets anders dan putten, droogloodsen en schouwen. En hier is ook keihard gewerkt, Madame. Die stenen kwamen er niet vanzelf, weet ge. Eerst moest de klei gestoken worden en dat gebeurde vroeger met kleine schopjes. Dat was zware handenarbeid. Die klei moest dan een tijdje rotten vooraleer hij op kruiwagens geladen werd en door vrouwen - ja,ja, door vrouwen - naar 'de plaats' gebracht werd. Daar stond de steenmaker achter zijn tafel, die pakte de klei, rolde hem in kegelvorm en kletste hem in de steenvorm. Die steenvormen werden door twee klein mannen - de kinderen werkten hier vanaf een jaar of zeven mee - naar het begin van 'de plaats' gebracht en uit de vorm geschud. Een steenmaker maakte gemiddeld zo'n 8.000 stenen per dag en had naast zich twee kinderen. Dat betekende dat die kindjes elk bij de 4.000 stenen moesten gaan neerleggen. Zij liepen dus een hele afstand af en dat alles op blote voeten, want de grond was glad en op blokken schoven ze uit. De stenen moesten dan gekeerd worden: dat was een hele dag gebukt staan, hé. Dan werden ze in de droogloodsen geschikt. Hier moesten ze een tijd drogen vooraleer ze in de oven konden, want als men ze te vlug bakte, barstten ze. Hier is hard gelabeurd, Madame, door mannen, vrouwen én kinderen en ge moest dansen naar de pijpen van de steenbakker, want het ganse gezin werkte voor hem. Men woonde ook in een huis van hem, de winkel was van hem, het café was zijn eigendom. Dus als men het werk niet goed deed of men zette een grote mond op dan vloog men er met z'n allen uit. Dat betekende: geen brood meer op de plank, geen huis meer en men kon werken in de streek wel vergeten, want dat er ene 'een groot bakkes' had opgezet, ging als een vuurtje rond. Ge kunt peinzen wat misbruiken dat er hier geweest zijn en als werkmens kon je geen kant uit. De steenbakker, de pastoor, de burgemeester: ze spanden allemaal samen. Die 'goede oude tijd' moet hier voor niemand terugkomen, zenne." Hij dronk zijn pint uit. "Ik ben ermee weg" zei hij en verdween naar de uitgang.
-"Ik ook", dacht ik.
Het was inmiddels opgehouden met regenen en ik moest terug door die voormalige kleiput, die ik nu toch anders bekeek dan tevoren. Die putten en die enkele overgebleven schouwen en droogloodsen waren getuigen van bloed, zweet en tranen en de mensen hier waren dat niet vergeten. Goed dat er nog kermis bestond!

 

feedback van andere lezers

  • Hoeselaar
    En wij maar klagen als er eens iets niet zo verloopt als wij het gedacht hadden. Mooie dorps kroniek met pijnlijke beelden uit een nog niet zo lang verleden. En dit in een prachtig dialect dat jammer genoeg overal aan het vernederlandsen is.

    Willy
    hope: Zo is het. Bedankt voor de lezing en commentaar.
Er zijn 6 bezoekers online, waarvan 0 leden: .